Door het vele trainen op de Bosbaan wonen vrijwel alle roeiers van het ANRT in Amsterdam. Daarmee kan het ANRT grofweg worden ingedeeld in twee groepen. Zij die al in Amsterdam woonden en dus lid zijn van een Amsterdamse vereniging, en zij die dat niet zijn. Dat uit zich in dat de Amsterdammers onder ons aanmerkelijk vaker op hun club te vinden zijn dan hen die van buiten de hoofdstad komen. Zij kunnen  een eventuele alternatieve training op hun vereniging draaien, en doen in sommige gevallen zelfs commissies of coachen nog op hun vereniging. Voor wie een uur naar zijn vereniging moet reizen om er te komen zijn dergelijke activiteiten uitgesloten.

Ikzelf ben voor het roeien vanuit Delft naar Amsterdam verhuisd, en ben dus ook niet veel meer op mijn club Proteus te vinden. Dat roept bij mij soms de vraag op of ik nog wel iets terug doe voor de vereniging, en of dat eigenlijk zou moeten. Het is immers de vereniging die mij jaar in jaar uit in staat heeft gesteld om te komen tot het punt waar ik nu ben. En op de momenten waarop het, het hardst nodig is wordt vaak duidelijk hoe zeer je vereniging nog steeds voor je klaar staat.

Zo besloot ik een aantal maanden geleden, in de korte periode dat er gedeeltelijk ijs op de Bosbaan lag, en in een periode waarin ik mijn boot niet kon missen, een sleutelscene uit de Titanic na te spelen. Mijn boot brak gelukkig niet in tweeën, maar hij was toch zeker aan een grondige reparatie toe. Echter is hij in recordtempo door Proteus gefixt, en had ik binnen no time weer een boot onder mijn kont. Nogmaals bedankt!

En zo zijn er tal van voorbeelden te noemen waarin mijn vereniging mij ondersteunt in het roeien. Wat doe ik daarvoor terug? Het voornaamste dat ik doe is wedstrijden roeien, maar zelfs daar vertegenwoordigen we op de grote wedstrijden de KNRB  en niet onze vereniging.  Daarom vind ik het belangrijk om, wanneer het even kan, toch een paar wedstrijden voor mijn club te starten.

Een aantal weken geleden kwam ik in die gelegenheid. We waren met het ANRT op een trainingskamp voorafgaande aan de wereldbeker in Varese, maar een tentamen dat ik moest maken en het feit dat het tentamen de dag na de Varsity viel vormden voldoende aanleiding om op en neer te vliegen.

Wie denkt dat de gouden blikken daarmee zo goed als zeker naar Delft zouden gaan hoeft slechts de race der oude vieren van 2012 nog eens te bekijken. We kwamen helaas niet verder dan een derde plek, maar ik ben evengoed blij dat ik de kans om het te proberen niet heb laten lopen. Daarnaast kunnen we waarschijnlijk stellen dat het winnen van de varsity mijn tentamencijfer negatief zou hebben beïnvloed.

Toen ik nog elke dag in Delft trainde heb ik misschien wel het meeste geleerd van de roeiers die boven mij stonden. Door met hen te kunnen trainen en praten kreeg ik de inspiratie en de mogelijkheden om zelf beter te worden. En daar schuilt denk ik de ware kracht van de ervaren roeier. De roei-ervaring van de gemiddelde bondsroeier is meer dan twee keer zo lang als de studie van de gemiddelde student, en zo veel roeikennis is een waardevol goed op een studentenvereniging waar generaties elkaar zo snel opvolgen. Ik hoop dan ook dat ook ik, wanneer volgend jaar voor mijn studie weer meer tijd in Delft zal doorbrengen dan ik nu doe, weer een deel van mijn ervaringen kan laten terugvloeien naar mijn vereniging!