Selecteer een pagina

Nadat een aantal pioniers zoals Olivier Siegelaar en Niki van Sprang het voortouw namen, is het steeds gebruikelijker geworden om aan de andere kant van de oceaan te gaan studeren en roeien. Ik weet nog goed dat Max Ponsen en Roel van Broekhuizen, anderhalf jaar voordat ik klaar was met de middelbare school, besloten naar Amerika te gaan. Ik was al benaderd door ‘recruiters’, maar vond het moeilijk een keuze te maken. Toen zij gingen, dacht ik: ‘Ja maar hallo, dat kan ik ook!’, en ik was niet de enige. Nadien besloten ruim tien voormalige topjuniorenroeiers naar Amerika te vertrekken en zij zitten nu verspreid over het hele land. Nu ik met kerst weer even terug ben is de meest voorkomende vraag: “Wat zijn nou de grootste verschillen met Nederland?”. Het zal voor elke universiteit anders liggen, maar aangezien we toch twintig uur per week bezig zijn met roeien, ligt voor mij het grootste verschil in het coachen.

Een stereotype dat ik vaak te horen krijg is dat Amerikaanse coaches alleen om ergometerscores geven, dat techniek niet bestaat en dat iedereen geblesseerd terugkomt. Ja, er wordt inderdaad getraind op de ergometer, techniek wordt anders aangepakt en de houding naar blessures toe is anders. Als ik aan een Amerikaan in één zin moet uitleggen hoe Nederlanders trainen, zeg ik dat we minder rug gebruiken, meer extensieve duurtrainingen (ED) doen in plaats van elke dag wedstrijdjes en dat er minder focus is op het mentale aspect. Toch geloof ik dat mijn Nederlandse collega’s op andere plekken in Amerika weer een andere perceptie hebben, wat benadrukt dat het verschil coach gebonden is.

Eén van de redenen dat ik voor The University of Texas in Austin (UT) heb gekozen is omdat mijn coach, Dave O’Neill, van zijn beginnende roeiers niet per se snelle ergometerscores verwacht. Bij andere universiteiten wordt soms een richttijd gegeven en als de roeier die niet haalt, komt hij of zij niet binnen. Zo zit ons programma niet in elkaar, hoewel ik me een ongeluk schrok toen ik eenmaal in begon. Het aantal uren dat ik elke maandagmorgen op de ergometer moest afleggen was heel anders dan wat ik gewend was. Al ik heb ik het idee dat er inmiddels overal – en dus ook in Nederland –  een schepje bovenop het normale volume wordt gedaan.

Het verschil zit meer in de controle die in Amerika heerst. Elke keer dat we een training doen, worden onze scores genoteerd in een logboek, of het nou een rustige ED-training is of een van de tests die we elke vrijdag afleggen. Elke training die ik doe, ben ik me er van bewust dat mijn tijden in de gaten worden gehouden, dat ik word vergeleken met de groep meisjes die vergelijkbare tijden trappen en dat er wordt gekeken of mijn resultaten beter zijn dan de voorgaande week. Geregeld worden er motiverende speeches gehouden die als conclusie hebben dat als je gewoon elke dag één procent beter wordt, het succes vanzelf komt. Je hoeft geen wiskundewonder te zijn om te begrijpen dat via deze zienswijze een jaar lang twintig uur per week trainen een onrealistisch percentageverbetering oplevert. Hoewel iedereen zich realiseert dat dit onmogelijk is, geeft het blinde optimisme ook een drive die ik in Nederland niet kende. Als ik weer eens om kwart voor zes in de ochtend opsta om twintig kilometer te skiffen denk ik heus niet elke dag dat ik de sterren van de hemel ga roeien, eerder het tegenovergestelde. Maar als ik eenmaal naast mijn teamgenoten van over de hele wereld lig en mijn coach door de megafoon loeit dat ‘elke dag zou moeten tellen alsof het Amerikaans nationaal kampioenschap is’ komt er een competitieve drang in ons naar boven die fysiek een hele hoop uit ons haalt.

Een minder positieve consequentie van deze controle is dat het de zelfstandigheid in de roeier weghaalt. Amerikanen leren normaal gesproken roeien in de acht op hun ‘high school’. Ze trainen een paar keer per week, ergometeren wat en geven vooral erg veel om twee en zes kilometertests. De lange afstanden en het aantal trainingsuren die de meeste junioren in Nederland draaien, zijn zeer ongebruikelijk. Het gebrek aan focus op techniek komt naar mijn idee vooral door het gebrek aan ervaring in kleine nummers. Onze coach begon het jaar voor mij bij UT en toen er meer Europese roeiers kwamen, werd het verschil in de kleine nummers binnen één training duidelijk. Alle Europeanen roeiden met twee vingers in de neus rondjes om de Amerikaanse meisjes die vaak meerdere malen naar het WK onder 23 jaar waren geweest en veertig seconden sneller gingen op de ergometer. Mijn coach besloot zijn aanpak om te gooien en afgelopen jaar legden we gemiddeld twintig kilometer per dag in kleine nummers af, bovenop het normale dagelijkse ergometer- en krachttrainingsprogramma. Hierin werd duidelijk dat meisjes die in de acht weg konden komen met zogeheten ‘off-strokes’, ofwel halen zonder druk, keihard op hun bek gingen in de kleine nummers. Er sterk uitzien in de acht, serieus kijken terwijl ze gewoon meebewogen, was er niet meer bij. Toen we weer in de acht werden gezet, was het verschil als dag en nacht. Het selecteren op basis van prestaties in kleine nummers heeft dus zelfstandigheid, die je naar mijn mening van een ‘topsporter’ zou moeten kunnen verwachten, toegevoegd.

Uiteindelijk ligt het aan de coaches, de sfeer van het team en het trainingsprogramma hoe iemand zijn of haar tijd in Amerika ervaart. De competitie die heerst door de extreme controle kan het beste in mij naar boven halen, maar resulteert ook in ongewenste blessures omdat het lastiger is om je grens aan te geven. De zelfstandigheid die ontbreekt zorgt voor een gebrek aan vertrouwen in de boot, maar ook dat is veranderlijk en afhankelijk van de aanpak en stijl van de coach. Het militaire regime dat er op na wordt gehouden ligt ook aan de grote van het team: ik train dagelijks met zestig meisjes tegelijkertijd, terwijl er in Nederland meestal niet meer dan twintig mensen met elkaar roeien. Al deze verschillen hebben voordelen en nadelen, maar hetgeen wat me toch elke keer opvalt is dat alles genuanceerder is dan men in Nederland denkt.

Fanny Bon (21) roeit in Nederland voor Willem III en deed in 2014 en 2015 voor Nederland mee aan de Wereldkampioenschappen voor junioren. Een jaar later vertrok zij naar Austin om daar voor de The University of Texas te roeien en te studeren. Voor Toprow schrijft zij komende maanden een column over wat ze daar mee maakt en in hoeverre het roeien anders beleeft wordt dan hier. 

Tot nooit meer ziens, Waco!

Springbreak (de voorjaarsvakantie) is aangebroken. Dit betekent voor menig student in Amerika een goedkope vlucht naar een toeristisch zonnig oord (Cancun, bijvoorbeeld) om zich daar voor een week als drankorgel gedragen, om zodoende ook de laatste twee maanden van school door te kunnen komen. Een mooi contrast met hoe de voorjaarsvakantie er voor mij uitziet.

Lees meer

‘Everything Is Bigger In Texas’

Een vraag die ik vaak te horen krijg, is waarom ik er voor heb gekozen om naar Amerika te gaan. Zoals alles in het leven bestaat zo’n keuze uit meerdere factoren, maar een belangrijke oorzaak die zeker meespeelt, is de faciliteiten. Ik ben natuurlijk niet naar alle universiteiten in heel Amerika geweest en kan daarom vooral voor mijn eigen universiteit spreken, maar de faciliteiten en diensten die voor ons ‘student-athletes’ worden geregeld zijn niet te evenaren met wat er in Nederland mogelijk is. De gigantische krachttrainingsruimtes, een aparte cardiotrainingplek, inclusief gloednieuwe ergometers, ski-ergometers, fietsergometers (de gevreesde ‘bike-erg’) en warme jacuzzi’s en ijsbaden om te kunnen herstellen zijn maar een paar voorbeelden.

Lees meer

Blessures in Amerika: onnodig stressvol

In vorig artikel besprak ik de verschillen in coachen tussen Nederland en Amerika. Een onderdeel dat het verschil in coachen voedt, is dat teams hier een stuk groter zijn dan in Nederland. Universiteitsteams hebben normaalgesproken tussen de 50 à 60...

Lees meer

Pin It on Pinterest

Share This