Selecteer een pagina
‘Everything Is Bigger In Texas’

‘Everything Is Bigger In Texas’

Een vraag die ik vaak te horen krijg, is waarom ik er voor heb gekozen om naar Amerika te gaan. Zoals alles in het leven bestaat zo’n keuze uit meerdere factoren, maar een belangrijke oorzaak die zeker meespeelt, is de faciliteiten. Ik ben natuurlijk niet naar alle universiteiten in heel Amerika geweest en kan daarom vooral voor mijn eigen universiteit spreken, maar de faciliteiten en diensten die voor ons ‘student-athletes’ worden geregeld zijn niet te evenaren met wat er in Nederland mogelijk is. De gigantische krachttrainingsruimtes, een aparte cardiotrainingplek, inclusief gloednieuwe ergometers, ski-ergometers, fietsergometers (de gevreesde ‘bike-erg’) en warme jacuzzi’s en ijsbaden om te kunnen herstellen zijn maar een paar voorbeelden.

Stadium
Een dag in het leven van een sporter aan de University of Texas ziet er ongeveer zo uit. Er is op de campus een gigantisch American Football Stadium, ofwel het Darrell K Royal-Texas Memorial Stadium, met een bescheiden 100.119 zitplaatsen, wat het volgens Wikipedia het negende grootste stadion in de wereld maakt. In dit stadion zijn alle faciliteiten die je op een dag nodig hebt, in sommige gevallen zelfs het lokaal waar je college hebt. Op de vijfde verdieping zit het beruchte ‘study hall’, waar je als freshman(eerstejaars student) verplicht acht uur per week volmaakt aan studie-uren.

Fanny_stadium_Texas

Studiebegeleiding
Voor de meeste internationale studenten in mijn team is dit meestal onnodig en vooral hinderlijk, maar blijkbaar is het laatste jaar high school in Amerika een grap en kunnen ze wel wat extra toezicht gebruiken. Hier vindt men ook de advisorsin die gespecialiseerd zijn in plannen, leerproblemen, of jouw specifieke studierichting en kunnen helpen met het kiezen van je vakken. Zij bepalen ook of je op eigen benen mag studeren. Het is nogal een doolhof om als internationale student hier aan te komen en geen snars van het hele systeem te begrijpen, maar doordat er zoveel mensen zijn aan wie je alle mysteries in de wereld kan vragen, is het mij uiteindelijk gelukt om het zo te regelen dat ik een halfjaar korter over mijn studie doe.

Voeding
Een verdieping daarboven vind je het Texas Athletic Nutrition Center (TANC) waar je van een buffet lunch en diner kan halen. Dit bestaat uit een saladebar, yoghurtbar, smoothie- en verse sapjesbar, er is een zogeheten ‘egg-man’ die eitjes voor je bakt zoals je ze hebben wil, de ‘stir-fry guy’ die alles naar wens wokt én er is een sectie met gerechten van de dag. Overal staat bij of het proteïne, complexe koolhydraten of groenten met bovennatuurlijke werkingen zijn om te helpen met het maken van je keuze voor een uitgebalanceerd dieet. In de kelder van het stadion zitten B1 en B2. De eerste voor staat voor de ‘treatment room’ en de tweede voor het krachttrainingshonk, waarnaast je de jacuzzi en het ijsbad vindt. Bij de krachttrainingsruimte is ook een aparte bar met gezonde snacks om te eten voor en na het sporten, die wordt gerund door de diëtist die is toegewezen om ons team een beetje gezond en fit te krijgen.

Blessures
In B1 hebben we per team verschillende ‘physical trainers’ (wat niet hetzelfde is als een fysiotherapeut, daar hebben ze in Amerika namelijk nog nooit van gehoord) die helpen met blessures. Er is een app waarin je per dag kan iemand kan boeken op basis van je blessure en je beschikbaarheid. Daarnaast hebben we een huisarts die iedereen van de benodigde neussprays en geruststellende praatjes voorziet. Ook is er de mogelijkheid om in therapie te gaan, wat wordt vergoed door de universiteit omdat er in Amerika een grote focus ligt op mentale gezondheid.

Privéjet
Mijn favoriete verhaal om te vertellen als ik eens wil opscheppen is dat we in de maand mei veel wedstrijden hebben naast een tentamenweek. Om problemen te omzeilen vliegen we daarom met een privéjet naar een race die altijd in het midden van deze week valt, zodat er minder kans is op vertraging of problemen op het vliegveld. Elke jaar weer is het een bizarre ervaring om met een team van ongeveer vijftig meisjes in ons eigen vliegtuig te zitten.

Zelfstandigheid
Nu is het natuurlijk de vraag of je al deze fancy foefjes en Nike-kleren nodig hebt om te kunnen functioneren als student en sporter. Het antwoord daarop is naar mijn mening: nee. Ik heb zelfs het idee dat het voor eeuwig in de watten gelegd worden soms de groei naar zelfstandigheid als sporter en student in de weg zit. Aan de andere kant is het een heerlijk gevoel om te kunnen rekenen op gezondheidszorg en ondersteuning in je universitaire carri
ère, aangezien daar nogal wat mis kan gaan als je minstens 20 uur per week met je sport bezig bent, 15 uur per week les hebt en nog moet studeren af en toe. Zo’n vangnet heb je in Nederland niet. Dus of het allemaal nodig is? Nee. Of het leuk en handig is? Dat zeker wel.

Fanny Bon (21) roeit in Nederland voor Willem III en deed in 2014 en 2015 voor Nederland mee aan de Wereldkampioenschappen voor junioren. Een jaar later vertrok zij naar Austin om daar voor de The University of Texas te roeien en te studeren. Voor Toprow schrijft zij komende maanden een column over wat ze daar mee maakt en in hoeverre het roeien anders beleeft wordt dan hier.

‘Everything Is Bigger In Texas’

Een vraag die ik vaak te horen krijg, is waarom ik er voor heb gekozen om naar Amerika te gaan. Zoals alles in het leven bestaat zo’n keuze uit meerdere factoren, maar een belangrijke oorzaak die zeker meespeelt, is de faciliteiten. Ik ben natuurlijk niet...

Lees meer

Blessures in Amerika: onnodig stressvol

In vorig artikel besprak ik de verschillen in coachen tussen Nederland en Amerika. Een onderdeel dat het verschil in coachen voedt, is dat teams hier een stuk groter zijn dan in Nederland. Universiteitsteams hebben normaalgesproken tussen de 50 à 60...

Lees meer

Stereotypes Met Nuance

Nadat een aantal pioniers zoals Olivier Siegelaar en Niki van Sprang het voortouw namen, is het steeds gebruikelijker geworden om aan de andere kant van de oceaan te gaan studeren en roeien. Ik weet nog goed dat Max Ponsen en Roel van Broekhuizen,...

Lees meer
Blessures in Amerika: onnodig stressvol

Blessures in Amerika: onnodig stressvol

In vorig artikel besprak ik de verschillen in coachen tussen Nederland en Amerika. Een onderdeel dat het verschil in coachen voedt, is dat teams hier een stuk groter zijn dan in Nederland. Universiteitsteams hebben normaalgesproken tussen de 50 à 60 mensen, die altijd tegelijkertijd trainen. De band met de coach is daarom meer van coach tot team dan van coach tot individuele roeier, wat invloed heeft op de communicatie over blessures. In elke sport zoekt een coach het grijze gebied op om de piekprestatie van zijn atleet te behalen, waarbij de coach en atleet allebei het risico nemen op vroegtijdig opbranden van de atleet. Dit is een lastige taak waar op topniveau veel mee wordt geëxperimenteerd door individuele topsporters en hun begeleiders.

Communicatie
Het is nog lastiger om het optimale te proberen te doen als je verantwoordelijkheid draagt voor een grote groep jonge vrouwen of mannen, waarbij iedereen elkaar in de gaten houdt. Als coach heb je heel wat uit te leggen als één roeier een bepaalde zware training niet hoeft te doen. Daarnaast wordt de communicatie over blessures de roeiers erg moeilijk gemaakt door de verschillende motivaties die roeiers kunnen hebben om geblesseerd te wíllen zijn en andere complicaties die te maken hebben met het Amerikaanse systeem.

Kwantiteit
Een groot onderdeel van blessure preventie ligt in het trainingsschema zelf. Een stereotype dat over Amerika bestaat is kort gezegd dat ‘kwantiteit over kwaliteit’ het beste is. Ik kan dit alleen maar bevestigen. Het volume is soms zo hoog dat de efficiëntie ervan ver te zoeken is. Toen ik er een keer even doorheen zat, deelde ik het trainingsprogramma van de voorgaande drie dagen met mijn goede vriend Julien Rühl, roeier en coach bij Willem III en Nereus, afgestudeerd in bewegingswetenschappen. Hij reageerde in het kort dat het genoeg was geweest om voor de rest van de week niets meer te hoeven doen. Het gevoel dat ik het grootste deel van de tijd op mijn reserves aan het trainen ben en een sessie vooral probeer te overleven gebeurt vaker dan wat ik denk dat goed is.

Verantwoordelijkheid
Aangezien roeien in zowel Nederland als Amerika een teamsport is, heb je altijd te maken met de mening van je teamgenoten als je een blessure hebt. Realistisch gezien kunnen je teamgenoten vrij weinig doen met die mening, maar het heeft wél invloed op je plek in het team en je betrouwbaarheid als ploeggenoot. De verhalen die ik hoor van roeiers uit Nederland in dit soort situaties zijn beduidend positiever dan hoe ik het in mijn eerste twee jaar in Amerika heb ervaren. Het schuldgevoel dat kwam als ik was geblesseerd, samen met het idee dat ik altijd werd nagestaard of dat er achter mijn rug om over me werd gepraat als ik een bepaalde training niet deed, hielpen niet bepaald mee aan mijn herstelproces.

Fanny Bon

Vertrouwen
In Nederland lijkt er meer een veronderstelling te zijn dat een roeier in ieder geval probeert altijd het beste te doen voor zijn of haar lijf. Er wordt vanuit gegaan dat de roeier zijn verantwoordelijkheid neemt en daar wordt op vertrouwt. In mijn eerste twee jaar in Texas was er aan dit vertrouwen een groot gebrek. Er werd verwacht dat je eerst dingen presteerde, daarna pas had je het ‘recht om stuk’ te zijn. Gewoon een paar daagjes even niks doen vanwege een onverklaarbaar pijntje van het een of ander was en is er nog steeds niet bij.

Regels
Dit riep bij mij de vraag op waarom er in Amerika minder ruimte is voor blessures in een team dan in Nederland? Het antwoord ligt wederom bij de NCAA. De NCAA is de overkoepelende sportorganisatie voor alle universiteitssporten. Dit betekent dat roeien onder dezelfde regels valt als basketbal, American Football en volleybal. Als je een goede sporter bent geweest op de middelbare school maak je kans op een beurs om (vrijwel) gratis naar de universiteit te gaan. Dit is veel waard omdat schoolgeld en andere kosten samen al gauw oplopen tot zo’n 30.000-50.000 dollar per jaar. In ons contract staat dat je niet uit het team gezet mag worden als gevolg van een blessure. Dat geeft een goed gevoel, omdat ik voor mijn eigen ervaring in Amerika veel rampscenario’s hoorde van mensen die een rib braken, naar huis moesten en vervolgens schoolgeld of andere kosten terug moesten betalen.

Misbruik
Daarnaast is de universiteit verantwoordelijk voor je behandelingen, wat ook veel waard is omdat zorgkosten in Amerika onbetaalbaar zijn. Daarom is het vrij lucratief om als sporter binnen te komen op een universiteit en van de privileges te kunnen genieten. Hierdoor gaan sommige mensen roeien om de verkeerde redenen: niet uit passie voor de sport, maar omdat ze van de privileges van een ‘student-athlete’ willen kunnen genieten.

Filter
Het lijkt daarom alsof de meeste coaches zichzelf een filter hebben aangemeten, waarmee ze het kaf van het koren proberen te scheiden. Aangezien er roeiers zijn die de privileges van het atleet-zijn misbruiken, zoals de beurs, de gesponsorde kleren en de zorgverzekering, hebben coaches een cynische blik als het om blessures gaat. Dit heeft veel invloed op de communicatie tussen roeier en coach. Na mijn eerste zes weken in Texas verstuikte ik mijn enkel op een zaterdag bij een hardloopwedstrijd met het team. Met een dikke blauwe voet werd ik het botenhuis ingedragen. De hoofdcoach was niet aanwezig en de assistent-coach zei dat ze het zou doorgeven. Die maandag werd ik opgewacht en werd mij langzamerhand duidelijk dat de assistent helemaal niets had doorgegeven, waardoor mijn hoofdcoach direct in de veronderstelling was dat ik die zaterdag tijdens het uitgaan op mijn smoel was gegaan en daarbij mijn enkel had verstuikt. Die miscommunicatie was achteraf gezien vrij hilarisch, maar op dat moment onnodig stressvol.

Communicatie
Door de grootte van het team, het gigantische trainingsvolume, de NCAA regels die intenties van de sporters twijfelachtig maken en de communicatie die daardoor verslechtert met de coach is het in Amerika nóg een stuk onprettiger om met een blessure te kampen dan in Nederland. Het vertrouwen dat in Nederland ligt in de roeier en zijn of haar eigen bedoelingen om zo snel mogelijk weer beter te worden, is veel waard. De mentale stress die komt met een blessure wordt alleen maar erger door cynische opmerkingen of een aangewakkerd schuldgevoel door teamgenoten. Gelukkig is de communicatie en de sfeer in het team inmiddels dusdanig verbeterd dat ik me niet meer zo slecht voel als het even niet gaat, in vergelijking met hoe ik me voelde toen ik nog een klein groentje was.

Fanny Bon (21) roeit in Nederland voor Willem III en deed in 2014 en 2015 voor Nederland mee aan de Wereldkampioenschappen voor junioren. Een jaar later vertrok zij naar Austin om daar voor de The University of Texas te roeien en te studeren. Voor Toprow schrijft zij komende maanden een column over wat ze daar mee maakt en in hoeverre het roeien anders beleeft wordt dan hier.

‘Everything Is Bigger In Texas’

Een vraag die ik vaak te horen krijg, is waarom ik er voor heb gekozen om naar Amerika te gaan. Zoals alles in het leven bestaat zo’n keuze uit meerdere factoren, maar een belangrijke oorzaak die zeker meespeelt, is de faciliteiten. Ik ben natuurlijk niet...

Lees meer

Blessures in Amerika: onnodig stressvol

In vorig artikel besprak ik de verschillen in coachen tussen Nederland en Amerika. Een onderdeel dat het verschil in coachen voedt, is dat teams hier een stuk groter zijn dan in Nederland. Universiteitsteams hebben normaalgesproken tussen de 50 à 60...

Lees meer

Stereotypes Met Nuance

Nadat een aantal pioniers zoals Olivier Siegelaar en Niki van Sprang het voortouw namen, is het steeds gebruikelijker geworden om aan de andere kant van de oceaan te gaan studeren en roeien. Ik weet nog goed dat Max Ponsen en Roel van Broekhuizen,...

Lees meer
Stereotypes Met Nuance

Stereotypes Met Nuance

Nadat een aantal pioniers zoals Olivier Siegelaar en Niki van Sprang het voortouw namen, is het steeds gebruikelijker geworden om aan de andere kant van de oceaan te gaan studeren en roeien. Ik weet nog goed dat Max Ponsen en Roel van Broekhuizen, anderhalf jaar voordat ik klaar was met de middelbare school, besloten naar Amerika te gaan. Ik was al benaderd door ‘recruiters’, maar vond het moeilijk een keuze te maken. Toen zij gingen, dacht ik: ‘Ja maar hallo, dat kan ik ook!’, en ik was niet de enige. Nadien besloten ruim tien voormalige topjuniorenroeiers naar Amerika te vertrekken en zij zitten nu verspreid over het hele land. Nu ik met kerst weer even terug ben is de meest voorkomende vraag: “Wat zijn nou de grootste verschillen met Nederland?”. Het zal voor elke universiteit anders liggen, maar aangezien we toch twintig uur per week bezig zijn met roeien, ligt voor mij het grootste verschil in het coachen.

Een stereotype dat ik vaak te horen krijg is dat Amerikaanse coaches alleen om ergometerscores geven, dat techniek niet bestaat en dat iedereen geblesseerd terugkomt. Ja, er wordt inderdaad getraind op de ergometer, techniek wordt anders aangepakt en de houding naar blessures toe is anders. Als ik aan een Amerikaan in één zin moet uitleggen hoe Nederlanders trainen, zeg ik dat we minder rug gebruiken, meer extensieve duurtrainingen (ED) doen in plaats van elke dag wedstrijdjes en dat er minder focus is op het mentale aspect. Toch geloof ik dat mijn Nederlandse collega’s op andere plekken in Amerika weer een andere perceptie hebben, wat benadrukt dat het verschil coach gebonden is.

Eén van de redenen dat ik voor The University of Texas in Austin (UT) heb gekozen is omdat mijn coach, Dave O’Neill, van zijn beginnende roeiers niet per se snelle ergometerscores verwacht. Bij andere universiteiten wordt soms een richttijd gegeven en als de roeier die niet haalt, komt hij of zij niet binnen. Zo zit ons programma niet in elkaar, hoewel ik me een ongeluk schrok toen ik eenmaal in begon. Het aantal uren dat ik elke maandagmorgen op de ergometer moest afleggen was heel anders dan wat ik gewend was. Al ik heb ik het idee dat er inmiddels overal – en dus ook in Nederland –  een schepje bovenop het normale volume wordt gedaan.

Het verschil zit meer in de controle die in Amerika heerst. Elke keer dat we een training doen, worden onze scores genoteerd in een logboek, of het nou een rustige ED-training is of een van de tests die we elke vrijdag afleggen. Elke training die ik doe, ben ik me er van bewust dat mijn tijden in de gaten worden gehouden, dat ik word vergeleken met de groep meisjes die vergelijkbare tijden trappen en dat er wordt gekeken of mijn resultaten beter zijn dan de voorgaande week. Geregeld worden er motiverende speeches gehouden die als conclusie hebben dat als je gewoon elke dag één procent beter wordt, het succes vanzelf komt. Je hoeft geen wiskundewonder te zijn om te begrijpen dat via deze zienswijze een jaar lang twintig uur per week trainen een onrealistisch percentageverbetering oplevert. Hoewel iedereen zich realiseert dat dit onmogelijk is, geeft het blinde optimisme ook een drive die ik in Nederland niet kende. Als ik weer eens om kwart voor zes in de ochtend opsta om twintig kilometer te skiffen denk ik heus niet elke dag dat ik de sterren van de hemel ga roeien, eerder het tegenovergestelde. Maar als ik eenmaal naast mijn teamgenoten van over de hele wereld lig en mijn coach door de megafoon loeit dat ‘elke dag zou moeten tellen alsof het Amerikaans nationaal kampioenschap is’ komt er een competitieve drang in ons naar boven die fysiek een hele hoop uit ons haalt.

Een minder positieve consequentie van deze controle is dat het de zelfstandigheid in de roeier weghaalt. Amerikanen leren normaal gesproken roeien in de acht op hun ‘high school’. Ze trainen een paar keer per week, ergometeren wat en geven vooral erg veel om twee en zes kilometertests. De lange afstanden en het aantal trainingsuren die de meeste junioren in Nederland draaien, zijn zeer ongebruikelijk. Het gebrek aan focus op techniek komt naar mijn idee vooral door het gebrek aan ervaring in kleine nummers. Onze coach begon het jaar voor mij bij UT en toen er meer Europese roeiers kwamen, werd het verschil in de kleine nummers binnen één training duidelijk. Alle Europeanen roeiden met twee vingers in de neus rondjes om de Amerikaanse meisjes die vaak meerdere malen naar het WK onder 23 jaar waren geweest en veertig seconden sneller gingen op de ergometer. Mijn coach besloot zijn aanpak om te gooien en afgelopen jaar legden we gemiddeld twintig kilometer per dag in kleine nummers af, bovenop het normale dagelijkse ergometer- en krachttrainingsprogramma. Hierin werd duidelijk dat meisjes die in de acht weg konden komen met zogeheten ‘off-strokes’, ofwel halen zonder druk, keihard op hun bek gingen in de kleine nummers. Er sterk uitzien in de acht, serieus kijken terwijl ze gewoon meebewogen, was er niet meer bij. Toen we weer in de acht werden gezet, was het verschil als dag en nacht. Het selecteren op basis van prestaties in kleine nummers heeft dus zelfstandigheid, die je naar mijn mening van een ‘topsporter’ zou moeten kunnen verwachten, toegevoegd.

Uiteindelijk ligt het aan de coaches, de sfeer van het team en het trainingsprogramma hoe iemand zijn of haar tijd in Amerika ervaart. De competitie die heerst door de extreme controle kan het beste in mij naar boven halen, maar resulteert ook in ongewenste blessures omdat het lastiger is om je grens aan te geven. De zelfstandigheid die ontbreekt zorgt voor een gebrek aan vertrouwen in de boot, maar ook dat is veranderlijk en afhankelijk van de aanpak en stijl van de coach. Het militaire regime dat er op na wordt gehouden ligt ook aan de grote van het team: ik train dagelijks met zestig meisjes tegelijkertijd, terwijl er in Nederland meestal niet meer dan twintig mensen met elkaar roeien. Al deze verschillen hebben voordelen en nadelen, maar hetgeen wat me toch elke keer opvalt is dat alles genuanceerder is dan men in Nederland denkt.

Fanny Bon (21) roeit in Nederland voor Willem III en deed in 2014 en 2015 voor Nederland mee aan de Wereldkampioenschappen voor junioren. Een jaar later vertrok zij naar Austin om daar voor de The University of Texas te roeien en te studeren. Voor Toprow schrijft zij komende maanden een column over wat ze daar mee maakt en in hoeverre het roeien anders beleeft wordt dan hier. 

‘Everything Is Bigger In Texas’

Een vraag die ik vaak te horen krijg, is waarom ik er voor heb gekozen om naar Amerika te gaan. Zoals alles in het leven bestaat zo’n keuze uit meerdere factoren, maar een belangrijke oorzaak die zeker meespeelt, is de faciliteiten. Ik ben natuurlijk niet...

Lees meer

Blessures in Amerika: onnodig stressvol

In vorig artikel besprak ik de verschillen in coachen tussen Nederland en Amerika. Een onderdeel dat het verschil in coachen voedt, is dat teams hier een stuk groter zijn dan in Nederland. Universiteitsteams hebben normaalgesproken tussen de 50 à 60...

Lees meer

Stereotypes Met Nuance

Nadat een aantal pioniers zoals Olivier Siegelaar en Niki van Sprang het voortouw namen, is het steeds gebruikelijker geworden om aan de andere kant van de oceaan te gaan studeren en roeien. Ik weet nog goed dat Max Ponsen en Roel van Broekhuizen,...

Lees meer
Roei-instructie voor Toprow Londen: ‘We waren echt aan het pionieren’

Roei-instructie voor Toprow Londen: ‘We waren echt aan het pionieren’

Toprow startte deze zomer in London met een filiaal aan de Theems. De Amsterdamse instructeurs Willem Crul en Caitlin Smith kregen de belangrijke taak de eerste lessen te verzorgen. Een behoorlijke klus voor de nog jonge studenten.

“We zijn een beetje in het diepe gegooid, maar het was het meer dan waard”, vertelt Caitlin enthousiast in de kantine van Roeicentrum Berlagebrug. De pas 21-jarige studente Kunstmatige Intelligentie kwam per toeval in Londen terecht. “Ik zou oorspronkelijk een minor gaan doen in New York en wilde daar roeiles geven als bijbaantje. Maar dat ging door omstandigheden niet meer door. Jasper (Smink, eigenaar van Toprow, red.) vroeg toen of ik dan niet voor ruim een maand naar Londen wilde. En ik zeg nu eenmaal snel ‘ja’ tegen dingen. Daar komen leuke dingen van op je pad.”

Passie
Bijkomend voordeel was dat Caitlin tot haar achtste jaar in Engeland had gewoond en tweetalig was opgevoed. Onderdak vond ze bij familie. De net zo jonge geschiedenisstudent Willem kende deze voordelen niet. “Ik hoorde via Caitlin van deze kans en zocht nog een bijbaan voor de zomer”, zegt hij vrolijk. “Met roeien merk je dat iedereen dezelfde passie heeft. Als ik mensen kan helpen en blij kan maken, vind ik het al snel geslaagd. En als dat ook nog eens in een stad als Londen kan…”

Stroming
Het regelen en geven van de eerste lessen bracht behoorlijk wat met zich mee. “Zo was de sterke stroming op de Theems een grote uitdaging. In het begin maakte ik een totaal verkeerde inschatting van hoe ver ik stroomafwaarts kon gaan om weer op tijd terug te komen. Ook kwam ik een keer in een zandbank terecht omdat het water veel sneller daalde dan ik dacht. De verkeersregels op het water zijn ook eens een stuk ingewikkelder dan hier”, stelt Caitlin.

Inventief
Het missen van een roeibak om de beginselen van de haal aan te leren zorgde eveneens voor ongemak. “Uiteindelijk vonden we ook hier onze weg. We legden de boot op een afgelegen stukje en gingen zelf in het water staan om de boot vast te houden. Zo konden de cursisten oefenen met halen maken zonder dat boot snelheid had”, aldus Willem.  

Caitlin Willem

Coördinatie
Los van de lessen was ook de coördinatie nog een flinke klus. “Degene die dat daar zou gaan doen, ging precies toen wij kwamen op huwelijksreis. Afmeldingen kwamen via email binnen op het Roeicentrum hier in Amsterdam en voordat het dan bij ons was, was het vaak al te laat. Maar ook dat losten we op. Zo hadden we goed contact met de roeiers van London Rowing Club, waar onze boten liggen.”

Reclame
De lessen bleken populair. “Als je nog niet kan roeien, kan je niet zoals hier in Nederland bij een roeivereniging terecht. De Londense clubs nemen alleen maar mensen aan die al kunnen roeien. Toprow springt in dat gat. Inmiddels zijn er ook wel andere plekken waar lessen worden aangeboden, maar die zijn kleinschalig en lastig te vinden. Voor onze lessen is echt reclame gemaakt. We zijn zelfs op de Londense radio geweest”, stelt Caitlin.

Pionieren
Beide twintigers werkten voor hun vertrek nieuwe instructeurs in. “Ook hebben we nog een protocol geschreven voor nieuwe werknemers. Volgens mij loopt het inmiddels uitstekend. Als ik er zo op terug kijk zijn we echt aan het pionieren geweest”, zegt Willem trots. Caitlin: “Bij een van onze laatste lessen kwam een Nederlandse vrouw die in Amsterdam een les moest missen vanwege vakantie. Die haalde ze in Londen in. Toen zijn wij samen met haar man en kind gaan roeien. Een super leuke ervaring.”

Ervaringen
Zowel Caitlin als Willem kijken dan ook vol voldoening terug op hun werk. Willem: “Ik vond het achteraf best wat zo alleen in Londen. Ik ben er een stuk zelfstandiger van geworden. Op het eind woonde ik bij een aantal studenten in huis, dat was erg leuk.” Caitlin vond het vooral fijn om zo op zichzelf te zijn aangewezen. “Vooral om te weten hoe het is om zelf iets op te zetten en te regelen. Je leert ook veel beter hoe een bedrijf werkt. Daar heb ik later zeker iets aan.”

Caitlin Willem

Robert Manson: ‘Ik hoopte dat ik anderen kon helpen met mijn verhaal’

Robert Manson: ‘Ik hoopte dat ik anderen kon helpen met mijn verhaal’

De Koninklijke Nederlandsche Roeibond (KNRB) vaart samen met Toprow op zondag 4 augustus voor de tweede keer mee met een boot tijdens de Canal Pride in Amsterdam. In aanloop naar dit evenement plaatst Toprow een aantal artikelen omtrent dit onderwerp, om te beginnen met een interview met wereldrecordhouder in de skiff, Robert Manson (28), die er in 2014 openlijk voor uitkwam gay te zijn.

Jouw coming-out was vlak voor de Olympische Spelen van 2012 in Londen, in 2014 werd het pas massaal opgepikt door de media. Was het een bewuste keuze het zo te doen?
“Ja, eigenlijk wel. Ik heb zelf een verhaal geschreven over hoe het bij mij is gegaan en dat gepubliceerd. Dat werd overal opgepikt. De belangrijkste reden was dat ik graag mijn ervaringen wilde delen over hoe erg ik met de situatie in mijn maag heb gezeten. Ik hoopte dat mensen konden zien dat het ook een positief verhaal is en dat als je gay bent – en in dit geval ook topsporter – dat dat uiteindelijk echt geen probleem is. Daarbij hoopte ik dat voor anderen in zo’n situatie mijn verhaal zou kunnen helpen. Eerlijk gezegd denk ik niet dat veel mensen het zo hebben opgevat , maar ik ben erg blij dat sommigen het wel zo zagen. Ik heb ook een aantal zeer aardige berichten in die trant ontvangen.”

Heeft jouw coming-out ook invloed gehad op je roeiprestaties?
“Ik denk niet dat het mijn prestaties rechtstreeks beïnvloedt heeft. Het enige wat ik wel kan zeggen is dat het me een stuk gelukkiger heeft gemaakt buiten het roeien. Ik kon eindelijk mezelf zijn.”

Vind je dat homoseksualiteit inmiddels voldoende geaccepteerd is in de roeiwereld? En denk je dat dit in het roeien anders is dan in andere sporten?
“Homoseksualiteit is absoluut geaccepteerd in de roeiwereld. Ik heb nog nooit een vervelende ervaring gehad, dus ik denk dat een eerlijke sport als roeien daarin absoluut vooruitloopt. Er zijn daarentegen andere sporten die nog een behoorlijke weg te gaan hebben. Hoe meer mensen open worden over hun seksualiteit hoe meer het geaccepteerd wordt en mensen zich comfortabel voelen om open te zijn over wie ze zijn. Het is een soort domino-effect. Tegelijkertijd moet je hier ook voorzichtig mee zijn. Het is natuurlijk een erg persoonlijk iets en iedereen moet natuurlijk zelf beslissen of hij of zij er openlijk voor uitkomt gay te zijn of niet.”

Ben je van mening dat wereldroeifederatie FISA genoeg doet op dit gebied. Er is al een Vrouwen Commissie, maar moeten zij zich niet uitbreiden naar meer activiteiten op het gebied van diversiteit?
“Eerlijk gezegd denk ik dat de rol van FISA zoals die nu is voldoende is. Ik voel me niet anders behandeld en dat is precies hoe het moet zijn. Uiteindelijk bepalen de sporters zelf de cultuur die er heerst en die van de roeisport is prachtig. Het is als een soort grote familie.”

Wat vind je van het initiatief van de KNRB en Toprow om een boot te laten varen op de Canal Pride?
“Het is fantastisch dat jullie roeibond betrokken is bij de Pride. Ik ben zelf aanwezig geweest bij het evenement in 2014 en het was een geweldige combinatie van lol als het belangrijk maken voor ondersteuning en solidariteit aan iedereen die worstelt met zijn of haar seksualiteit. Het laat zien dat je niet beoordeeld wordt op wie je bent.”

Het complete verhaal van Manson zijn coming out is hier te vinden:

Robbie Manson , Wairau Rowing Club winner of the mens premier single

Second day of finals races at the New Zealand Rowing Champs, Lake Karapiro, Cambridge Saturday 17 February 2018 Copyright photo © Steve McArthur / Rowing NZ

Faster, higher, stronger: Indonesië naar Rio! – Column Boudewijn van Opstal

Faster, higher, stronger: Indonesië naar Rio! – Column Boudewijn van Opstal

In augustus 2016 zullen 550 roeiers uit meer dan 58 landen strijden op het Lago Rodrigo de Freitas in Rio de Janeiro, tijdens de Olympische Spelen.

En twee van deze roeiers. Die komen uit Indonesië.

Ik heb me de laatste tijd afgevraagd of dat eigenlijk goed is. Begrijp me niet verkeerd. Ik heb mij de afgelopen vier jaar met volle overtuiging ingezet, ik heb me het apenzuur gecoacht. Ik heb gesleurd, getrokken, ik ben woedend geweest, ik heb onvoorstelbare tegenslagen gekend, maar op het laatste moment stonden mijn roeiers er toch en hebben ze hun Olympisch ticket bemachtigd. En met de historische gebeurtenis van twee Indonesische roeiers op de Spelen, ben ik ultiem gelukkig.

Maar horen ze daar wel? Er zijn roeiers in de wereld die harder gaan dan die van mij. Waarom zijn in Rio niet alleen de beste roeiers van de wereld?

48 Olympisch Kampioenen
De Olympische Spelen zijn in beweging. Het moet sneller, sexier en er moeten meer landen aan mee doen. Met een onvoorstelbaar aantal van 48 Olympisch roeikampioenen per Spelen, een beperkte aantrekkelijkheid voor toeschouwers (en sponsoren) en het imago van een witte rijkeluis sport ziet het Internationaal Olympisch Comite in het roeien een makkelijk slachtoffer.

Ter behoud van lijf en leden wringt de wereld roeibond FISA zichzelf in bochten. Al in 1996 werd het lichte roeien geïntroduceerd. De lichte categorie zou nieuwe roeilanden de kans geven om zich op het Olympisch podium te manifesteren. Voor een verdere verbreding van het aantal deelnemende landen zijn in 2016 het aantal kwalificerende plekken op de continentale kwalificatietoernooien vergroot en nieuwe regels geïntroduceerd die zullen leiden tot meer universaliteit. Daarna zal voor 2020 de verdeling tussen mannen en vrouwen worden aangepakt (naar de 50/50) en ook de investering in en ontwikkeling van het aangepast roeien kan worden gezien als een manier om het IOC tevreden te stellen.

Olympisch motto of Olympische droom?
Al deze ontwikkelingen leiden af van het olympisch motto: Citius – Altius – Fortius: Sneller – Hoger – Sterker. Want ondanks dat het LM4- veld één van de spannendste velden is in het roeien en ik met mijn Indonesiërs met heroïsche gevechten de Olympische tickets heb binnengehaald, leidt de toegangsbeperking van gewicht of nationaliteit niet tot de ultieme races. De eisen van het IOC lijken dan ook het eigen motto te ondergraven.

Maar misschien gaat het ook niet enkel om het Olympisch motto, misschien gaat het om de Olympische droom en de opoffering die moet worden gedaan om die uit te laten komen.

De kans dat de Indonesische skiffeur Memo ooit Olympisch kampioen zal worden is niet heel groot. Ondanks dat hij een van de beste roeiers van Azië is en voor Indonesische begrippen met zijn 2.00 meter, 85 kilo en skiffsnelheid van rond de 7:00 enorm is. Maar de weg die Memo heeft afgelegd om op de Olympische Spelen te komen is indrukwekkend. Voor zijn 17de  had Memo nog nooit zijn eiland, ergens bij de Molukken, verlaten. Memo had, voordat ik hem vier jaar geleden had geïdentificeerd bij een zoektocht naar talent, nog nooit sportschoenen aan gehad – op het eiland waren geen schoenen in maat 48.

De duizenden en duizenden kilometers die we sindsdien hebben geroeid op het bergmeer van Pangalengan, ver van de bewoonde wereld. Het onbegrip in de Indonesische cultuur, waar de idee om de beste te willen zijn of ergens keihard voor te werken niet wijdverspreid is. Je familie maar één keer per jaar kunnen zien. En vooral de ambitie om meer te willen zijn dan een parelduiker; het werk dat al generaties lang door je familie wordt gedaan. En dat allemaal heeft Memo overwonnen. Misschien is dat wel de Olympische droom.

Respect
Voor zijn droom heb ik groot respect en daarom zal ik in Rio met trots mijn Indonesisch kostuum dragen op de openingceremonie. En op de Speedo, die ik speciaal laat maken voor het flaneren op de Copacabana, zal ik dat laten drukken: Respect.

Credits Fotografie: Balint Czucz