Selecteer een pagina
Bootsman Bisseker: ‘Ik vind het een eer te werken bij De Hoop’

Bootsman Bisseker: ‘Ik vind het een eer te werken bij De Hoop’

De Zuid-Afrikaan Kevin Bisseker (60) volgde zeventien jaar geleden de iconische bootsman Cor Splinter op bij De Hoop. Net als zijn voorgangers in deze serie wil hij zo lang mogelijk op deze plek blijven werken.

Het is een terugkerend patroon. Bootsmannen die gelukkig zijn in hun vak en de vrijheid die ze roemen in hun afgebakende ruimte van hun eigen werkplaats. Kevin ontvangt me dan ook met koffie uit een uitstekend apparaat en steekt er zelf een sigaartje bij op. “Ik kan hier heerlijk werken, lekker met de radio aan. Het voelt een beetje alsof het van mij is. Zo ben ik enige die weet waar alles ligt.”

Apartheid
Kevin heeft een bijzonder levensverhaal. Als jongen van 23 verlaat hij Zuid-Afrika om onder de dienstplicht uit te komen. “Het was los van de prachtige natuur een compleet verpest land met de apartheid. Daar wilde ik niet actief aan meewerken. Ik ben net op tijd vertrokken. Terwijl ik onderweg was naar Johannesburg voor mijn vlucht, viel bij mijn ouders de brief op de mat dat ik mij bij het leger moest melden.”

Inboorlingen
Vóór zijn vertrek kent hij echter nog een fijne tijd in zijn geboorteland. “Ik ben opgegroeid in het Oosten waar amper toeristen komen. Als zoon van een groothandelaar in bonen, rijst en groente had ik niets te klagen. Na mijn middelbare school heb ik drie maanden met vrienden in een bestelbusje van hem in het oerwoud tussen de inboorlingen geleefd. Prachtig was dat. Koken op zelf gemaakt vuur en surfen aan de kust.”

Flodder

Toevallig gaat de goedkoopste vlucht vanuit Zuid-Afrika naar Nederland. Maar daar vestigen, lukt mede vanwege VISA-problemen niet meteen. “Ik ben op allerlei plekken geweest. Van strandwerk in Griekenland tot baantjes in Engeland, waar ik nog ben opgepakt voor illegaal werken. Via een meisje dat ik leerde kennen in Griekenland kwam ik weer in Nederland terecht. Ze was nog jong en woonde in de Jordaan. Haar vader was Sjakie uit Flodder.”

Stoffeerder
De relatie zorgt ervoor dat hij zich eind jaren ’80 permanent in Nederland wil vestigen. Dat betekent twee jaar wachten totdat hij een paspoort kan krijgen. “Ik ben een tijd stoffeerder in de RAI geweest, een verschrikkelijke baan. Toen ik eindelijk Nederlander was geworden, kon ik mijn eigen klusbedrijf beginnen. Ik deed van alles, van het timmeren van bedden tot loodgieterswerk. Maar mijn bedrijf lag wel steeds stil als ik jaarlijks een maand naar Zuid-Afrika ging om familie te bezoeken.”

De Amstel
Een unieke gelegenheid om in loondienst en bijvoorbeeld ook vakantiegeld te krijgen en pensioen op te bouwen te gaan werken, doet zich voor als hij een keer met een klant naar De Amstel gaat voor een proefles roeien. Een sport die hij op zijn middelbare school zeer actief had beoefend. “Ik zag daar de bootsman bezig en zei meteen: ‘dat lijkt me nou perfect werk voor mij’. De klant zag niet veel later in het bondsblad Roeien een vacature voor De Hoop en wees mij erop.”

Splinter
Hij valt in de smaak en wordt de opvolger van Cor Splinter, de alom gewaardeerde bootsman die maar liefst 47 jaar werkte bij de chique vereniging aan de Weesperzijde. “Het was lastig in zijn voetsporen te treden. Het was een enorme vakman. En dan woonde hij ook nog eens op De Hoop. We hebben de eerste zes weken samen gedaan om mij in te werken. Je kan je voorstellen hoe dat gaat met twee eigenzinnige mensen in een kleine ruimte. Dat knetterde nog wel eens.”

Surfboard
Het lukt Kevin echter snel het vak zich eigen te maken en zich een plek te verwerven. “Omdat ik al een roeiverleden had, had ik wel een voorsprong. En in Zuid-Afrika had ik ook al eens zelf een surfboard gemaakt. Uit een magazine over Epoxy heb ik geleerd hoe ik zo goed mogelijk kunststofboten kon repareren. Het fijne van dit werk is dat vrijwel niemand weet wat fout is. Dat gaf mij de ruimte om te experimenteren. Hulp heb ik zodoende niet enorm hoeven zoeken.”           

Onhandig
Geliefd is de bootsman uiteraard niet altijd op zo’n grote vereniging. “Met veel mensen kan ik goed opschieten, maar sommige leden vinden mij te streng. Maar ja, ik wil gewoon schade voorkomen. Soms is het dweilen met de kraan open als je ziet hoe mensen een boot tillen en in de stelling leggen. De mensen hier zijn natuurlijk heel hoog opgeleid, maar de handigheid ontbreekt vaak.”

Waterpompen
Met het bestuur heeft hij een fijne samenwerking. “Het wisselt een beetje per persoon. De materiaalcommissaris van nu zit er bijvoorbeeld behoorlijk bovenop. Wekelijks stuur ik hem een lijst van zaken die ik wil doen. Dat vind ik geen enkel probleem, zolang er maar ruimte is voor dingen die spontaan moeten gebeuren. Net was ik bijvoorbeeld ook bezig met de waterpompen uit de kleedkamer die stuk zijn. Dat komt er dan bij.”   

Skiffen
Hij blijft het werk het liefst doen totdat het vanwege leeftijd niet meer lukt. “Ik heb weinig pensioen opgebouwd dus ga graag nog ruim tien jaar door. Daarnaast vind ik het echt een eer om te werken bij zo’n grote en koninklijke vereniging. Ik ben nog steeds iedere dag dankbaar dat ik hier terecht ben gekomen.” Extra voordeel is dat hij ondertussen ook zelf kan roeien. “Ik heb hier geleerd te skiffen. Ik mag wekelijks wat kwartiertjes opsparen. Dat ga ik vroeg in de ochtend. Je hoofd even vrij maken van alle nare gedachtes die iedereen soms wel eens heeft. Dat kan niet beter dan met roeien.”

Minxia Peddemos: ‘Toen ik een filmpje van de paralympische kampioenen zag, was ik om’

Minxia Peddemos: ‘Toen ik een filmpje van de paralympische kampioenen zag, was ik om’

Na jarenlange afwezigheid doet Nederland weer mee in de mixed vier-met-stuurman bij het paraoeien. Eén van deze roeisters is Minxia Peddemos (23). Komend weekeinde doet zij mee aan de wereldbekerwedstrijden in Poznan. Lees hier haar verhaal.

Minxia wordt in 1996 als baby in China op straat gevonden. Vanwege de éénkindpolitiek is het al weinig populair om een meisje te houden en daar komt nog eens bij dat ze is geboren zonder linkerhand. “Het was al snel duidelijk dat mijn toekomst in het weeshuis bepaald was. Ik werd vooral geacht de andere kinderen te verzorgen of om op straat te overleven. Geregeld werden kinderen weggehaald ter adoptie, maar voor meisjes als ik was dat onwaarschijnlijk.”

Levensdrang

Haar kansen keren als een juf ontdekt dat Minxia ontzettend snel kan leren: ze gaat drie keer zo snel door de stof als alle anderen en is goed tijdens de muziek- en sportlessen. ‘’Deze bewijsdrang, ik noem het liever levensdrang, heeft mij gered.Ook was ik erg eigenwijs, wilde steeds buitenspelen terwijl dat eigenlijk niet mocht. Maar of dat geholpen heeft, betwijfel ik”, zegt ze lachend. Haar juf zorgt ervoor dat Minxia op haar zesde jaar door een Amsterdams echtpaar met een ander geadopteerd kind wordt opgehaald.

Schoonspringen
Minxia lijkt niet te lijden onder de omstandigheden van haar vroege jeugd. “Ik heb een zogeheten roots-reisgemaakt toen ik 10-jaar oud was om mijn weestijd een plekje te kunnen geven. Daar ben ik mijn ouders dankbaar voor. Maar dat ik goed terecht ben gekomen, komt bovenal door mijn familie. Van hen mocht ik gewoon kind zijn.” Ze groeide op in een woonboot aan het IJ en sportief als haar ouders zijn, doet ze tal van (water)sporten op competitief niveau in het valide veld. “Ik heb bijvoorbeeld aan voetbal, triatlononderdelen, zeilen en schoonspringen gedaan. Schoonspringen, omdat een atleet met dezelfde naam olympisch en wereldkampioene was.”

Viergever
Als Minxia in het najaar van 2015 in Wageningen gaat studeren, lijkt roeien bij Argo een logische stap. “De vader van Govert Viergever was mijn docent Nederlands en hij drukte ons op het hart fanatiek mee te doen aan het studentenleven, bijvoorbeeld door te gaan roeien zoals zijn zoon. Dat leek de perfecte sport voor mij: een combinatie van duur-, water- en teamsport en dan ook nog eens bij een studentenvereniging.”

Minxia.Peddemos

Scullen
Ze had zich echter niet gerealiseerd dat roeien lastig zou kunnen worden. “Ik had pas tijdens de wedstrijdselectie door dat eerstejaars lichtgewicht vrouwen scullden in plaats van boordroeien. Omdat ik vrijwel nooit stilsta bij mijn beperking had ik daar niet aan gedacht.” Zo goed als ze kon stortte ze zich dan maar op het competitie-roeien, maar al snel lukte dat niet meer vanwege pijn aan haar rechterschouder.“Ik heb nog wel wedstrijden van de NOOC-competitie gestart en ook ‘getaart’ (winnen, red.), maar het niet kunnen wedstrijdroeien frustreerde me toch. Ik kreeg last van een schouderblessure, waardoor ik veel minder kon trainen dan ik wilde.”

Britten
Net wanneer Minxia zich daarbij neer weet te leggen,wordt zij door de bond benaderd of ze zich wil classificeren voor het PR3 veld, voor mensen met een kleine beperking. Het duurt echter even voordat ze zich er toe kon zetten in een paraboot te stappen. “Eerst wilde ik nog meedraaien met de vereniging met commissies en coach werk, want het paraveld voelde bijna als toegeven dat ik een beperking heb. Tijdens een coachvergadering liet iemand mij een filmpje zien van de Britten die in de mixed vier goud wonnen bij de Paralympische Spelen. Toen was ik snel om.”

Prothese
De bond heeft op dat moment vier roeiers gevonden voor de mixed vier-met. Eind maart 2018 wordt ze gevraagd om een keer met ze mee te trainen.Tijdens die sessie is ze al snel verkocht. “Ik kwam erachter dat het eigenlijk heel leuk is om met andere para-atleten te gaan roeien. Op een vereniging val je algauw tussen wal en schip in het wedstrijdveld. Daarnaast was het heerlijk om weer terug in de roeiboot te zijn.” Via Team Stelorthopedie in Tynaarlo krijgt ze snel daarna een geschikte prothese, waardoor ze nu zonder angst voor blessures kan trainen.

Deadliften
Het enthousiasme voor het parateam is wederzijds. De coaches nodigen haar uit om vast mee te trainen met de vier. Afgelopen oktober haakt een van deze roeisters af, waardoor Minxia haar plek in de boot krijgt. Minxia blijkt minstens zo’n goede vervanger. “Ik ben weliswaar kleiner, maar ben met mijn linkerarm sterker dan met de rechter. Mensen verbazen zich daar vaak over, maar ik heb mezelf ooit voorgenomen dat waar ik minder handig was, ik dat met kracht moest kunnen compenseren. Mijn linkerarm is dus extra goed getraind, ik kan gewoon met 80 kilo deadliften.”

Varese
Een paar weken terug roeit het kwartet haar eerste internationale wedstrijd in Varese. “Dat was een leerzame ervaring, we hebben leren racen en haalden twee keer de A-finale. Dit was überhaupt mijn eerste 2-kilometer wedstrijd die ik kon roeien. Ook betekende dat voor het eerst de boot wegen, het classificeren van de beperkingen en langs de dopingautoriteit.We denken nog veel progressie te kunnen boeken: we waren die zondag bijvoorbeeld al een minuut sneller dan op die vrijdag. Komend weekend bij de tweede wereldbeker willen we onze progressie van de afgelopen weken laten zien.” 

Tokyo
Sinds afgelopen maart traint de vier dagelijks op de Bosbaan. “Het doel is om ondanks de korte voorbereidingstijd ons te plaatsen voor de Paralympische Spelen in Tokyo. Dan moeten we bij het WK in september bij de eerste 5 eindigen. Dat vergt een professionele aanpak.” Minxia probeert het zo goed als het kan het te combineren met studie en werk. “Grofweg studeer ik maandag en dinsdag in Wageningen en ben ik de rest van de tijd in Amsterdam. Waar kan draai ik shifts bij Roeicentrum Berlagebrug. Ik heb het geluk dat alle betrokkenen mij goed ondersteunen.”

Nereus-bootsman Josselin de Jong: ‘Bij mijn eerste Kroegjool hing ik laveloos onder het podium’

Nereus-bootsman Josselin de Jong: ‘Bij mijn eerste Kroegjool hing ik laveloos onder het podium’

Mathijs Josselin de Jong (58) is de derde in onze serie bootsmannen. Hij is al bijna 30 jaar in dienst van het Amsterdamse Nereus. We spreken onder andere met hem over de speciale dynamiek van een succesvolle en grote studentenvereniging. Hij wil er in elk geval nog lang niet weg.

Mathijs komt in het vak na zijn opleiding aan de meubelmakersvakschool in Amsterdam. Die opleiding was een opmerkelijke keuze, want hij had in zijn geboorteplaats Oegstgeest net zijn VWO-diploma behaald. “Ik was altijd al de knutselaar thuis, dus voor mij was dit een logische keus. Maar ik kom uit een universitaire familie. Mijn vader was hoogleraar en die moest wel even slikken. Uiteindelijk vond ook hij het prima, ik moest vooral doen waar ik plezier uit haalde.” 

Vacature
Na een jaar aan het Amsterdamse VOC-schip – dat nu bij het Scheepvaartmuseum ligt – te hebben gewerkt, ziet de 23-jarige een advertentie bij het arbeidsbureau, het huidige UWV. Nereus zocht een opvolger voor Willem Westdorp, die op dat moment al ruim een half jaar met pensioen was gegaan. “Ik heb altijd al wat met bootjes gehad en was fervent zeiler. Vrienden van me hadden geroeid bij Die Leythe, dus ook met de sport had ik wel wat affiniteit.” 

Vloot
Tijdens zijn eerste bezoek en gesprek raakt hij meteen onder de indruk van de toen nog bijna geheel uit hout bestaande vloot. “Daar zat duidelijk structuur in, alleen de werkplaats was een chaos.” Van de 17 kandidaten maakt hij het meeste indruk. “Geen idee wat hielp, ik had een goede brief geschreven en misschien hielp mijn achternaam mee. Ook had ik net een cursus kunststofjachtbouw gevolgd. Dat kwam enorm van pas, want vlak na mijn aantreden kochten we alleen nog maar kunststofboten.” 

Lätta
Specifieke roeigerelateerde zaken leert hij snel van roeiers en coaches. “Toen ik hier net kwam roeide hier de zogeheten Lätta-acht, allemaal erg leuke kerels. Die hadden altijd rond 10:00u na de training een koffie-uurtje. Dan ging ik vaak naar boven en vroeg ik naar het nut van verschillende onderdelen. Dat heeft me erg geholpen. Ook heb ik hulp gehad van andere bootsmannen, vooral Wim Heuvelman van Triton.”

matig_josselin_de_jong

Kroegjool
Het studentikoze karakter van de club schrikt hem niet af. “Ik had geen moeite met die sfeer. Toen ik net was aangenomen waren het natuurlijk ook mensen van mijn leeftijd. Ik kan me de eerste Kroegjool nog goed herinneren. Het was 1991 en Nereus had al lang niet gewonnen. Ik hing laveloos onder het podium, ik vond het geweldig. Ook bleef ik geregeld hangen op donderdagavond bij de borrel. Nee, men vond het niet raar. Ik had zelfs het idee dat het gewaardeerd werd.” 

Bestuur
Het werk doet hij al die jaren nog steeds met veel plezier. “Natuurlijk baal je wel eens van die lakse studenten, maar buiten de eerstejaars competitieroeiers – die wel echt dom zijn – , gaat vrijwel iedereen op de vereniging redelijk verantwoord om met het materiaal. Het jaarlijks wisselen van besturen is soms lastig en in het verleden boterde het in een enkel geval niet goed. Maar over het algemeen heb ik niets te klagen. In al die tijd is er slechts een enkeling geweest waar ik echt een hekel aan heb gehad.” 

C4-en
Een piek in zijn werk is er altijd als de eerstejaarswedstrijdselecties in het najaar zijn afgelopen. “De houten C4-en zorgen altijd nog voor het meeste werk. Het mag het minste tijd kosten, maar worden wel het slechtst gebruikt. Men denkt altijd dat de Afroeiperiode het vervelendste is, maar dat valt erg mee. De Afroeicommissie zit er dan bovenop. En tijdens de selecties zijn er verantwoordelijke (hoofd)coaches. Het gaat pas mis als de roeiers worden losgelaten en er niemand meer op let.” 

Bestuursbak
Mathijs vindt niet dat er erg veel veranderd is in al die jaren. “Natuurlijk zijn dingen anders. Een zegen vind ik bijvoorbeeld dat er geen houten spanten meer zijn die vervangen moeten worden. Dat kostte veel moeite.” Maar de verenigingscultuur is los van de enorme professionalisering die op alle fronten heeft plaatsgevonden hetzelfde gebleven. “Ik merk er bijvoorbeeld niet eens zoveel van dat de vereniging veel groter is geworden. Nog steeds denkt elk bestuur een goede bestuursbak te hebben gevonden en nog steeds gaat hij altijd kapot”, zegt hij lachend.

mathijs_josselin_de_jong2

Woofers
“Het enige dat misschien anders is, is dat het vroeger een stuk normaler was dat er dingen kapot gingen, waar bestuursleden zelf ook vaak een aandeel in hadden. Er werd meer gezooid en zo hadden we vroeger de befaamde Technisch Front Barbecue waarbij enorme ‘woofers’ (steekvlammen van een paar seconden, red.) werden ontstoken. In verband met overlast kan dat niet meer. Bij het minste of geringste verliest Nereus haar vergunningen.” 

Pensioen
Hij beaamt dat het een enorme luxe is dat Nereus zich een bootsman kan permitteren. “Ik heb geen idee hoe andere grote studentenverenigingen het zonder kunnen doen. Het fonds van waaruit ik betaald word is in elk geval vol genoeg om mij tot aan mijn pensioen door te betalen. Maar wat mij betreft houdt het dan niet op. Op mijn gat zitten is niets voor mij. Als ik het volhoud, blijf ik dit graag nog even doen.”

Varsity-winnaar 1967: ‘Voor één dag in het jaar mag ik weer student zijn’

Varsity-winnaar 1967: ‘Voor één dag in het jaar mag ik weer student zijn’

Twee weken terug won de Utrechtse Studenten Roeivereniging Triton voor het eerst in 52 jaar de Varsity. TopRow sprak met één van de mannen die in 1967 als eerste de finish passeerde, Berend Brummelman (76). We bevroegen hem over deze bijzondere dag en over de bijzondere band met zijn vereniging. 

In zijn woonplaats Wolvega laat hij trots de locatie aan de Schipsloot zien van waaruit hij en 50 andere leden van de door hem opgerichte vereniging Skylla roeien. Sinds 1979 – toen hij zich hier als dierenarts vestigde – roeit hij al op deze plek. Eerst vanuit een boerderij in de omgeving, inmiddels liggen in een loodsruimte van een bedrijf 20-25 boten, die Berend vrijwel allemaal zelf aanschafte.

Kader
Toch is Berend vooral Tritonees. Zelfs de verenigingsnaam is verbonden met de Utrechtse club, want Skylla wordt in de Griekse mythologie een dochter van Triton genoemd. “Ook na mijn roeitijd ben ik betrokken gebleven. Ik heb in 1970 bijvoorbeeld nog Varsity-commissie gedaan. Maar qua roeien ging het al snel minder op Triton. Ik weet nog dat toen ik in 1971 weer een jaar ging wedstrijdroeien naast mijn werk op de universiteit, ik bij selecties voor de Oude Vier probleemloos steevast in de snelste twee zat. Er was vooral geen kader meer.” Vanaf 1982 richtte hij zich meer op zijn eigen veteranenacht bij Daventria. “Het was de tweede keer dat Orca won en sindsdien had ik een onderbuikgevoel dat ik maar beter niet meer kon gaan.”

Ritueel
Vanaf 2004 keerde het tij. “Ik bedacht me dat ik het toch wel bijzonder vond wat ik ooit bereikt heb en dat het fantastisch is om daar elk jaar terug te kunnen keren. Voor mijn gevoel mag ik op de Varsity voor één dag in het jaar weer student zijn. Ik heb inmiddels een vast ritueel. In de ochtend ga ik per trein naar Utrecht om daar met mijn vouwfiets eerst naar de plek van de oude loods van Triton te gaan. Dan fiets ik via het Merwedekanaal naar waar Triton nu ligt, om dan door te gaan richting Houten. Zo kom ik weer helemaal in de stemming.”

Brandbrief
Hij schreef in die jaren ook een brief aan het bestuur dat ze écht eerder moesten gaan trainen wilden ze de Varsity ooit nog eens winnen. “Maar het échte geloof dat ze weer konden winnen, kwam pas de laatste jaren. Ik weet hoe belangrijk Kaj Hendriks het vond en we hadden weer aanwas van talent. Een jongere generatie oud-leden nam nu meer het voortouw in de ondersteuning. Vorig jaar hebben ze de Oude Vier bijvoorbeeld nog nieuwe riemen gegeven.”

Varsity-diner
Een jaarlijks terugkerend ritueel is de verplichte aanwezigheid van de laatst winnende Oude Vier bij het Varsity-diner in de week voor het evenement. “Kaj vertelde in zijn speech op de receptie dat hij vooral opgelucht was dat wij daar niet meer hoefden te komen. Maar ik ben er zeker niet altijd geweest. We deden dat de laatste jaren in toerbeurten. Niet iedereen uit onze vier vindt dat studentikoze leuk, ik kan er wel om lachen.” Berend probeert zo goed als het kan de huidige ontwikkelingen te volgen. “Ik houd graag contact met de jongens. Ook volg ik ze op Facebook en Instagram. Vorig jaar heb ik per ongeluk een vriendschapsverzoek gestuurd naar Tone Wieten. Ik verwisselde hem met Mechiel Versluis, een familielid van een kennis. Bleek Tone later onze grote concurrent te zijn.”

Folklore
Hij ziet de Varsity echt als topsport. “Ik sprak in de VIP-tent Feike Tibben uit het bondsbestuur en vader van Obbe die in de boot van Skøll zit. Ik ken hem vanuit de buurt, want hij zit bij ’t Diep in Steenwijk hier verderop. Hij noemde de Varsity folklore. Ik zie dat heel anders. Er doen veel toproeiers op af en op geen enkele andere roeiwedstrijd komen zoveel toeschouwers af.” Als hij het evenement vergelijkt met zijn tijd zijn er zowel verschillen als overeenkomsten. “Het is nu veel grootschaliger met modernere middelen. Die camera’s op de boten en de dronebeelden zijn fantastisch. Wij hadden toen nog niet eens walkietalkies. Maar er waren minstens zoveel mensen langs de kant.”   

Argo

Twee jaar terug kreeg Berend een ongeluk waardoor hij de editie miste waarin Triton in de eindsprint bijna won van Nereus. “Ik heb dat live vanuit mijn bed gekeken. Inmiddels kan ik weer fietsen, maar in de finale kon ik het mede gezien de drukte niet bijbenen. Ik ben 250 meter voor de finish maar gestopt zodat ik van een afstandje het tafereel kon aanschouwen. Ik werd overmand door emoties en werd gefeliciteerd door willekeurige burgers uit Houten die aan mij zagen dat er iets bijzonders was gebeurd. Ik was enorm opgelucht. Eindelijk zijn we uit het rijtje met Argo.” 

Winnaarsdiner
In de VIP-tent kwam hij zijn twee voormalig ploeggenoten, Herman Rouwé en Tom Dronkert, tegen. De vierde roeier uit ‘67, Erik Hartsuiker, overleed begin dit jaar. “Zij gingen eten met hun partners, maar ik had daar geen behoefte aan. Helma Nèpperus vroeg me of ik haar wilde vergezellen bij het winnaarsdiner. Daar heb ik de winnende ploeg nog kunnen toespreken.” Per fiets en trein kwam hij in de Utrechtse binnenstad, waar een enorme menigte was verzameld.

Helden

Er volgde een receptie in het Academiegebouw van de universiteit. “Het grappige is dat ik me dat van onze tijd niet kan herinneren. Wij aten met de ploeg en coaches in een restaurant in Bilthoven en gingen toen per trein naar Utrecht Centraal. En vanaf daar met een koets naar de sociëteit aan het Janskerkhof. Maar voor mijn gevoel werden wij net zoals helden onthaald als nu.” Na de receptie ging hij nog even mee naar het feest. “Mijn ploeggenoten heb ik daar niet meer gezien, maar ik wilde nog even sfeer proeven. Gelukkig kwam ik door de menigte heen. Wat me vooral opviel was dat er vrouwen in de zaal waren. In mijn tijd was dat ondenkbaar. Ik moest echter om 0:15u de laatste trein halen, dus lang kon ik er niet van genieten.”

Spaarne-bootsman Elmer van Orden: ‘Ik heb nooit last van files’

Spaarne-bootsman Elmer van Orden: ‘Ik heb nooit last van files’

Elmer van Orden is de tweede bootsman die centraal staat in een serie over het steeds zeldzamer wordende beroep in de Nederlandse roeisport. Elmer is al 27 jaar werkzaam bij één van de grootste roeiverenigingen van het land, de Koninklijke Roei- en Zeilvereniging Het Spaarne uit Heemstede. Hij fabriceerde daar maar liefst twaalf boten, en dan tellen we zijn eigen woonark en de catamaran voor zijn woon-werkverkeer nog niet eens mee.

Elmer (57) komt in zijn jeugd al in aanraking met roeien bij Daventria in Deventer. Na zijn middelbare schooltijd vertrekt hij voor enkele jaren naar Canada. “Het waren de jaren ’80 en er heerste hier een behoorlijke werkloosheid. In Canada had ik familie wonen en ik ben daar HTS Werktuigbouwkunde gaan doen. Maar uiteindelijk kon ik er niet aarden. Ik miste de Hollandse gezelligheid.”

Water
Toch vertrekt hij snel weer naar het buitenland. In de Engelse kustplaats Lowesoft leert hij in één jaar het vak van botenbouwer bij het International Boatbuilding Trainingcentre. “In plaats van een degelijke opleiding ben ik mijn hart gaan volgen. Het water trok me altijd al. Je kan er zoveel dingen in zien. Of het regent of dat het droog is of vanuit welke richting de wind komt. Mijn vader was ook al een botenliefhebber en een enthousiaste zeiler.”

Vacature
Na verschillende baantjes in de jachtbouw op verschillende plekken in Nederland, ziet hij in het blad Roeien een vacature staan bij Het Spaarne. “Ik was er net achter gekomen dat ik de jachtbouw een te stressvolle wereld vond. Ik bleek de enige kandidaat en hoewel ik hier nog nooit geweest was, bleek het al snel een goede match. Ik had kennis van de materialen, was handig en had affiniteit met de roeisport.”

Wapenfeit
Elmer maakt snel indruk. “Mijn eerste wapenfeit was de reparatie van een houten acht waarvan de punt er tijdens de Heineken Roeivierkamp af gevaren was. De desbetreffende ploeg moest een week later de Head of the River varen. Met flink wat kunst- en vliegwerk is het me gelukt. Vlak daarna was de Algemene Ledenvergadering en was het wel duidelijk dat ik mocht blijven.” In het begin krijgt hij nog een to-do-lijst mee van materiaalcommissaris Menno Velthuis. “Ik moest vooral het afstellen van boten en het opmeten van riggers leren. Maar al vrij snel ging ik mijn eigen gang.”

Houtworm
Hij geeft zelfs één dag in de week op, om meer tijd vrij te maken voor de bouw van zijn eigen woonboot een paar kilometer verderop aan het Spaarne. “Toen ik hier kwam, woonde ik met een zeilboot op een semi-legale ligplaats in Amsterdam. Ik moest weg en heb een tijd hier in het haventje van Het Spaarne gelegen. Het was behelpen met enkel een houten kachel. Toen kon ik de oude woonboot van Menno overnemen. Maar die had zijn gebreken, zoals een lek dak en houtworm.”

Pannetjes
In 2003 ontmoet hij zijn huidige vrouw. Ze weigerde te leven in een huiskamer vol met pannetjes. En bij haar intrekken was voor Elmer geen optie. “Je moet mij niet in een flatje zetten. Dan vind je me al snel onderaan. Ik heb een karkas laten maken en de boot zelf van binnen afgewerkt, inclusief CV, waterleiding en riool.” Inmiddels gaat Elmer elke dag met de ook door hem gemaakte catamaran naar en van zijn werk. “Het is ideaal woon-werkverkeer, ik heb nooit last van files.”

Botenbouwer
Het zijn niet de enige boten die hij maakt. Als één van de weinigen in Nederland kan hij roeiboten fabriceren. “Het begon met een C1 die aan vervanging toe was. Van De Amstel en De Hoop kreeg ik mallen en deed er vervolgens drie maanden over. Nu gaat het veel sneller. Inmiddels ben ik bezig aan mijn dertiende boot, een wherry.” Ze zelf verkopen wil hij niet. Het zou een te ingewikkeld commercieel proces worden en hij is blij dat Het Spaarne het hem in werktijd laat doen.

Vooruitgang
Dat dit mogelijk is – ondanks dat de vereniging in zijn tijd van ongeveer 700 leden tot boven de 1000 groeide – komt mede door de vele veranderingen in zijn vak. “In al die tijd zijn vrijwel alle houten boten vervangen door kunststof. Dat is minder onderhoudsgevoelig, al blijft dat ook steeds veranderen vanwege steeds weer nieuwe milieuregels. Een gigantische vooruitgang was het verdwijnen van houten riemen. Die bladen en vooral de lak waren nogal aan slijtage onderhevig. Ten slotte gaan zaken als de afschrijving van boten en vaarverboden nu allemaal elektronisch.”

Swipen
Ondertussen werd ook de vereniging anders. Zo steeg de gemiddelde leeftijd flink. “De jeugdafdeling is geslonken. Er is een grote golf aan babyboomerslid geworden.” Ondertussen werd de handigheid van roeiers minder. “We leven in een digitale tijd. Men kan tegenwoordig heel goed swipen maar een moertje vastdraaien is te lastig. Ook de technische kennis van bestuursleden is minder geworden.”

Kuddegedrag
Sommige zaken veranderen echter nooit. “Neem de zaterdagochtend. Om 8:30u is er nog niemand en een half uur later staat iedereen massaal in de rij om hun boot in het water te leggen. Weer een kwartier verder is het weer muisstil. Niemand die bedenkt iets eerder te gaan. Kuddegedrag noem ik het. Er zijn genoeg momenten in de week dat je hier een kanon kan afschieten.”  

Gezelligheid
Toch zit Elmer op zijn plek. “Eigenlijk kan het niet veel beter, ik heb hier enorme vrijheid. Ik blijf hier wel tot mijn pensioen, al heb ik als vijftiger ook weinig andere opties haha..” Hij heeft veel inloop en een vast clubje mensen om zich heen met wie hij elke ochtend koffie drinkt. Precies de Hollandse gezelligheid die hij eerder zo miste. 

Pin It on Pinterest