Selecteer een pagina
Nereus-bootsman Josselin de Jong: ‘Bij mijn eerste Kroegjool hing ik laveloos onder het podium’

Nereus-bootsman Josselin de Jong: ‘Bij mijn eerste Kroegjool hing ik laveloos onder het podium’

Mathijs Josselin de Jong (58) is de derde in onze serie bootsmannen. Hij is al bijna 30 jaar in dienst van het Amsterdamse Nereus. We spreken onder andere met hem over de speciale dynamiek van een succesvolle en grote studentenvereniging. Hij wil er in elk geval nog lang niet weg.

Mathijs komt in het vak na zijn opleiding aan de meubelmakersvakschool in Amsterdam. Die opleiding was een opmerkelijke keuze, want hij had in zijn geboorteplaats Oegstgeest net zijn VWO-diploma behaald. “Ik was altijd al de knutselaar thuis, dus voor mij was dit een logische keus. Maar ik kom uit een universitaire familie. Mijn vader was hoogleraar en die moest wel even slikken. Uiteindelijk vond ook hij het prima, ik moest vooral doen waar ik plezier uit haalde.” 

Vacature
Na een jaar aan het Amsterdamse VOC-schip – dat nu bij het Scheepvaartmuseum ligt – te hebben gewerkt, ziet de 23-jarige een advertentie bij het arbeidsbureau, het huidige UWV. Nereus zocht een opvolger voor Willem Westdorp, die op dat moment al ruim een half jaar met pensioen was gegaan. “Ik heb altijd al wat met bootjes gehad en was fervent zeiler. Vrienden van me hadden geroeid bij Die Leythe, dus ook met de sport had ik wel wat affiniteit.” 

Vloot
Tijdens zijn eerste bezoek en gesprek raakt hij meteen onder de indruk van de toen nog bijna geheel uit hout bestaande vloot. “Daar zat duidelijk structuur in, alleen de werkplaats was een chaos.” Van de 17 kandidaten maakt hij het meeste indruk. “Geen idee wat hielp, ik had een goede brief geschreven en misschien hielp mijn achternaam mee. Ook had ik net een cursus kunststofjachtbouw gevolgd. Dat kwam enorm van pas, want vlak na mijn aantreden kochten we alleen nog maar kunststofboten.” 

Lätta
Specifieke roeigerelateerde zaken leert hij snel van roeiers en coaches. “Toen ik hier net kwam roeide hier de zogeheten Lätta-acht, allemaal erg leuke kerels. Die hadden altijd rond 10:00u na de training een koffie-uurtje. Dan ging ik vaak naar boven en vroeg ik naar het nut van verschillende onderdelen. Dat heeft me erg geholpen. Ook heb ik hulp gehad van andere bootsmannen, vooral Wim Heuvelman van Triton.”

matig_josselin_de_jong

Kroegjool
Het studentikoze karakter van de club schrikt hem niet af. “Ik had geen moeite met die sfeer. Toen ik net was aangenomen waren het natuurlijk ook mensen van mijn leeftijd. Ik kan me de eerste Kroegjool nog goed herinneren. Het was 1991 en Nereus had al lang niet gewonnen. Ik hing laveloos onder het podium, ik vond het geweldig. Ook bleef ik geregeld hangen op donderdagavond bij de borrel. Nee, men vond het niet raar. Ik had zelfs het idee dat het gewaardeerd werd.” 

Bestuur
Het werk doet hij al die jaren nog steeds met veel plezier. “Natuurlijk baal je wel eens van die lakse studenten, maar buiten de eerstejaars competitieroeiers – die wel echt dom zijn – , gaat vrijwel iedereen op de vereniging redelijk verantwoord om met het materiaal. Het jaarlijks wisselen van besturen is soms lastig en in het verleden boterde het in een enkel geval niet goed. Maar over het algemeen heb ik niets te klagen. In al die tijd is er slechts een enkeling geweest waar ik echt een hekel aan heb gehad.” 

C4-en
Een piek in zijn werk is er altijd als de eerstejaarswedstrijdselecties in het najaar zijn afgelopen. “De houten C4-en zorgen altijd nog voor het meeste werk. Het mag het minste tijd kosten, maar worden wel het slechtst gebruikt. Men denkt altijd dat de Afroeiperiode het vervelendste is, maar dat valt erg mee. De Afroeicommissie zit er dan bovenop. En tijdens de selecties zijn er verantwoordelijke (hoofd)coaches. Het gaat pas mis als de roeiers worden losgelaten en er niemand meer op let.” 

Bestuursbak
Mathijs vindt niet dat er erg veel veranderd is in al die jaren. “Natuurlijk zijn dingen anders. Een zegen vind ik bijvoorbeeld dat er geen houten spanten meer zijn die vervangen moeten worden. Dat kostte veel moeite.” Maar de verenigingscultuur is los van de enorme professionalisering die op alle fronten heeft plaatsgevonden hetzelfde gebleven. “Ik merk er bijvoorbeeld niet eens zoveel van dat de vereniging veel groter is geworden. Nog steeds denkt elk bestuur een goede bestuursbak te hebben gevonden en nog steeds gaat hij altijd kapot”, zegt hij lachend.

mathijs_josselin_de_jong2

Woofers
“Het enige dat misschien anders is, is dat het vroeger een stuk normaler was dat er dingen kapot gingen, waar bestuursleden zelf ook vaak een aandeel in hadden. Er werd meer gezooid en zo hadden we vroeger de befaamde Technisch Front Barbecue waarbij enorme ‘woofers’ (steekvlammen van een paar seconden, red.) werden ontstoken. In verband met overlast kan dat niet meer. Bij het minste of geringste verliest Nereus haar vergunningen.” 

Pensioen
Hij beaamt dat het een enorme luxe is dat Nereus zich een bootsman kan permitteren. “Ik heb geen idee hoe andere grote studentenverenigingen het zonder kunnen doen. Het fonds van waaruit ik betaald word is in elk geval vol genoeg om mij tot aan mijn pensioen door te betalen. Maar wat mij betreft houdt het dan niet op. Op mijn gat zitten is niets voor mij. Als ik het volhoud, blijf ik dit graag nog even doen.”

Varsity-winnaar 1967: ‘Voor één dag in het jaar mag ik weer student zijn’

Varsity-winnaar 1967: ‘Voor één dag in het jaar mag ik weer student zijn’

Twee weken terug won de Utrechtse Studenten Roeivereniging Triton voor het eerst in 52 jaar de Varsity. TopRow sprak met één van de mannen die in 1967 als eerste de finish passeerde, Berend Brummelman (76). We bevroegen hem over deze bijzondere dag en over de bijzondere band met zijn vereniging. 

In zijn woonplaats Wolvega laat hij trots de locatie aan de Schipsloot zien van waaruit hij en 50 andere leden van de door hem opgerichte vereniging Skylla roeien. Sinds 1979 – toen hij zich hier als dierenarts vestigde – roeit hij al op deze plek. Eerst vanuit een boerderij in de omgeving, inmiddels liggen in een loodsruimte van een bedrijf 20-25 boten, die Berend vrijwel allemaal zelf aanschafte.

Kader
Toch is Berend vooral Tritonees. Zelfs de verenigingsnaam is verbonden met de Utrechtse club, want Skylla wordt in de Griekse mythologie een dochter van Triton genoemd. “Ook na mijn roeitijd ben ik betrokken gebleven. Ik heb in 1970 bijvoorbeeld nog Varsity-commissie gedaan. Maar qua roeien ging het al snel minder op Triton. Ik weet nog dat toen ik in 1971 weer een jaar ging wedstrijdroeien naast mijn werk op de universiteit, ik bij selecties voor de Oude Vier probleemloos steevast in de snelste twee zat. Er was vooral geen kader meer.” Vanaf 1982 richtte hij zich meer op zijn eigen veteranenacht bij Daventria. “Het was de tweede keer dat Orca won en sindsdien had ik een onderbuikgevoel dat ik maar beter niet meer kon gaan.”

Ritueel
Vanaf 2004 keerde het tij. “Ik bedacht me dat ik het toch wel bijzonder vond wat ik ooit bereikt heb en dat het fantastisch is om daar elk jaar terug te kunnen keren. Voor mijn gevoel mag ik op de Varsity voor één dag in het jaar weer student zijn. Ik heb inmiddels een vast ritueel. In de ochtend ga ik per trein naar Utrecht om daar met mijn vouwfiets eerst naar de plek van de oude loods van Triton te gaan. Dan fiets ik via het Merwedekanaal naar waar Triton nu ligt, om dan door te gaan richting Houten. Zo kom ik weer helemaal in de stemming.”

Brandbrief
Hij schreef in die jaren ook een brief aan het bestuur dat ze écht eerder moesten gaan trainen wilden ze de Varsity ooit nog eens winnen. “Maar het échte geloof dat ze weer konden winnen, kwam pas de laatste jaren. Ik weet hoe belangrijk Kaj Hendriks het vond en we hadden weer aanwas van talent. Een jongere generatie oud-leden nam nu meer het voortouw in de ondersteuning. Vorig jaar hebben ze de Oude Vier bijvoorbeeld nog nieuwe riemen gegeven.”

Varsity-diner
Een jaarlijks terugkerend ritueel is de verplichte aanwezigheid van de laatst winnende Oude Vier bij het Varsity-diner in de week voor het evenement. “Kaj vertelde in zijn speech op de receptie dat hij vooral opgelucht was dat wij daar niet meer hoefden te komen. Maar ik ben er zeker niet altijd geweest. We deden dat de laatste jaren in toerbeurten. Niet iedereen uit onze vier vindt dat studentikoze leuk, ik kan er wel om lachen.” Berend probeert zo goed als het kan de huidige ontwikkelingen te volgen. “Ik houd graag contact met de jongens. Ook volg ik ze op Facebook en Instagram. Vorig jaar heb ik per ongeluk een vriendschapsverzoek gestuurd naar Tone Wieten. Ik verwisselde hem met Mechiel Versluis, een familielid van een kennis. Bleek Tone later onze grote concurrent te zijn.”

Folklore
Hij ziet de Varsity echt als topsport. “Ik sprak in de VIP-tent Feike Tibben uit het bondsbestuur en vader van Obbe die in de boot van Skøll zit. Ik ken hem vanuit de buurt, want hij zit bij ’t Diep in Steenwijk hier verderop. Hij noemde de Varsity folklore. Ik zie dat heel anders. Er doen veel toproeiers op af en op geen enkele andere roeiwedstrijd komen zoveel toeschouwers af.” Als hij het evenement vergelijkt met zijn tijd zijn er zowel verschillen als overeenkomsten. “Het is nu veel grootschaliger met modernere middelen. Die camera’s op de boten en de dronebeelden zijn fantastisch. Wij hadden toen nog niet eens walkietalkies. Maar er waren minstens zoveel mensen langs de kant.”   

Argo

Twee jaar terug kreeg Berend een ongeluk waardoor hij de editie miste waarin Triton in de eindsprint bijna won van Nereus. “Ik heb dat live vanuit mijn bed gekeken. Inmiddels kan ik weer fietsen, maar in de finale kon ik het mede gezien de drukte niet bijbenen. Ik ben 250 meter voor de finish maar gestopt zodat ik van een afstandje het tafereel kon aanschouwen. Ik werd overmand door emoties en werd gefeliciteerd door willekeurige burgers uit Houten die aan mij zagen dat er iets bijzonders was gebeurd. Ik was enorm opgelucht. Eindelijk zijn we uit het rijtje met Argo.” 

Winnaarsdiner
In de VIP-tent kwam hij zijn twee voormalig ploeggenoten, Herman Rouwé en Tom Dronkert, tegen. De vierde roeier uit ‘67, Erik Hartsuiker, overleed begin dit jaar. “Zij gingen eten met hun partners, maar ik had daar geen behoefte aan. Helma Nèpperus vroeg me of ik haar wilde vergezellen bij het winnaarsdiner. Daar heb ik de winnende ploeg nog kunnen toespreken.” Per fiets en trein kwam hij in de Utrechtse binnenstad, waar een enorme menigte was verzameld.

Helden

Er volgde een receptie in het Academiegebouw van de universiteit. “Het grappige is dat ik me dat van onze tijd niet kan herinneren. Wij aten met de ploeg en coaches in een restaurant in Bilthoven en gingen toen per trein naar Utrecht Centraal. En vanaf daar met een koets naar de sociëteit aan het Janskerkhof. Maar voor mijn gevoel werden wij net zoals helden onthaald als nu.” Na de receptie ging hij nog even mee naar het feest. “Mijn ploeggenoten heb ik daar niet meer gezien, maar ik wilde nog even sfeer proeven. Gelukkig kwam ik door de menigte heen. Wat me vooral opviel was dat er vrouwen in de zaal waren. In mijn tijd was dat ondenkbaar. Ik moest echter om 0:15u de laatste trein halen, dus lang kon ik er niet van genieten.”

Net uit de boot: Edith Schippers

Sfeer in de sport is erg belangrijkEven voorstellenIk ben Edith Schippers en ik roei! Ik ben Minister van Volksgezondheid*, Welzijn en Sport, getrouwd, één dochter en woon in Baarn. Ik roei vandaag weer na een zomerstop van drie maanden.Lekker...

Lees meer
Spaarne-bootsman Elmer van Orden: ‘Ik heb nooit last van files’

Spaarne-bootsman Elmer van Orden: ‘Ik heb nooit last van files’

Elmer van Orden is de tweede bootsman die centraal staat in een serie over het steeds zeldzamer wordende beroep in de Nederlandse roeisport. Elmer is al 27 jaar werkzaam bij één van de grootste roeiverenigingen van het land, de Koninklijke Roei- en Zeilvereniging Het Spaarne uit Heemstede. Hij fabriceerde daar maar liefst twaalf boten, en dan tellen we zijn eigen woonark en de catamaran voor zijn woon-werkverkeer nog niet eens mee.

Elmer (57) komt in zijn jeugd al in aanraking met roeien bij Daventria in Deventer. Na zijn middelbare schooltijd vertrekt hij voor enkele jaren naar Canada. “Het waren de jaren ’80 en er heerste hier een behoorlijke werkloosheid. In Canada had ik familie wonen en ik ben daar HTS Werktuigbouwkunde gaan doen. Maar uiteindelijk kon ik er niet aarden. Ik miste de Hollandse gezelligheid.”

Water
Toch vertrekt hij snel weer naar het buitenland. In de Engelse kustplaats Lowesoft leert hij in één jaar het vak van botenbouwer bij het International Boatbuilding Trainingcentre. “In plaats van een degelijke opleiding ben ik mijn hart gaan volgen. Het water trok me altijd al. Je kan er zoveel dingen in zien. Of het regent of dat het droog is of vanuit welke richting de wind komt. Mijn vader was ook al een botenliefhebber en een enthousiaste zeiler.”

Vacature
Na verschillende baantjes in de jachtbouw op verschillende plekken in Nederland, ziet hij in het blad Roeien een vacature staan bij Het Spaarne. “Ik was er net achter gekomen dat ik de jachtbouw een te stressvolle wereld vond. Ik bleek de enige kandidaat en hoewel ik hier nog nooit geweest was, bleek het al snel een goede match. Ik had kennis van de materialen, was handig en had affiniteit met de roeisport.”

Wapenfeit
Elmer maakt snel indruk. “Mijn eerste wapenfeit was de reparatie van een houten acht waarvan de punt er tijdens de Heineken Roeivierkamp af gevaren was. De desbetreffende ploeg moest een week later de Head of the River varen. Met flink wat kunst- en vliegwerk is het me gelukt. Vlak daarna was de Algemene Ledenvergadering en was het wel duidelijk dat ik mocht blijven.” In het begin krijgt hij nog een to-do-lijst mee van materiaalcommissaris Menno Velthuis. “Ik moest vooral het afstellen van boten en het opmeten van riggers leren. Maar al vrij snel ging ik mijn eigen gang.”

Houtworm
Hij geeft zelfs één dag in de week op, om meer tijd vrij te maken voor de bouw van zijn eigen woonboot een paar kilometer verderop aan het Spaarne. “Toen ik hier kwam, woonde ik met een zeilboot op een semi-legale ligplaats in Amsterdam. Ik moest weg en heb een tijd hier in het haventje van Het Spaarne gelegen. Het was behelpen met enkel een houten kachel. Toen kon ik de oude woonboot van Menno overnemen. Maar die had zijn gebreken, zoals een lek dak en houtworm.”

Pannetjes
In 2003 ontmoet hij zijn huidige vrouw. Ze weigerde te leven in een huiskamer vol met pannetjes. En bij haar intrekken was voor Elmer geen optie. “Je moet mij niet in een flatje zetten. Dan vind je me al snel onderaan. Ik heb een karkas laten maken en de boot zelf van binnen afgewerkt, inclusief CV, waterleiding en riool.” Inmiddels gaat Elmer elke dag met de ook door hem gemaakte catamaran naar en van zijn werk. “Het is ideaal woon-werkverkeer, ik heb nooit last van files.”

Botenbouwer
Het zijn niet de enige boten die hij maakt. Als één van de weinigen in Nederland kan hij roeiboten fabriceren. “Het begon met een C1 die aan vervanging toe was. Van De Amstel en De Hoop kreeg ik mallen en deed er vervolgens drie maanden over. Nu gaat het veel sneller. Inmiddels ben ik bezig aan mijn dertiende boot, een wherry.” Ze zelf verkopen wil hij niet. Het zou een te ingewikkeld commercieel proces worden en hij is blij dat Het Spaarne het hem in werktijd laat doen.

Vooruitgang
Dat dit mogelijk is – ondanks dat de vereniging in zijn tijd van ongeveer 700 leden tot boven de 1000 groeide – komt mede door de vele veranderingen in zijn vak. “In al die tijd zijn vrijwel alle houten boten vervangen door kunststof. Dat is minder onderhoudsgevoelig, al blijft dat ook steeds veranderen vanwege steeds weer nieuwe milieuregels. Een gigantische vooruitgang was het verdwijnen van houten riemen. Die bladen en vooral de lak waren nogal aan slijtage onderhevig. Ten slotte gaan zaken als de afschrijving van boten en vaarverboden nu allemaal elektronisch.”

Swipen
Ondertussen werd ook de vereniging anders. Zo steeg de gemiddelde leeftijd flink. “De jeugdafdeling is geslonken. Er is een grote golf aan babyboomerslid geworden.” Ondertussen werd de handigheid van roeiers minder. “We leven in een digitale tijd. Men kan tegenwoordig heel goed swipen maar een moertje vastdraaien is te lastig. Ook de technische kennis van bestuursleden is minder geworden.”

Kuddegedrag
Sommige zaken veranderen echter nooit. “Neem de zaterdagochtend. Om 8:30u is er nog niemand en een half uur later staat iedereen massaal in de rij om hun boot in het water te leggen. Weer een kwartier verder is het weer muisstil. Niemand die bedenkt iets eerder te gaan. Kuddegedrag noem ik het. Er zijn genoeg momenten in de week dat je hier een kanon kan afschieten.”  

Gezelligheid
Toch zit Elmer op zijn plek. “Eigenlijk kan het niet veel beter, ik heb hier enorme vrijheid. Ik blijf hier wel tot mijn pensioen, al heb ik als vijftiger ook weinig andere opties haha..” Hij heeft veel inloop en een vast clubje mensen om zich heen met wie hij elke ochtend koffie drinkt. Precies de Hollandse gezelligheid die hij eerder zo miste. 

Cambridge-coach Astrid Cohnen: ‘Dit is een geweldige ervaring’

Cambridge-coach Astrid Cohnen: ‘Dit is een geweldige ervaring’

Vorige week won een acht van Nereus tijdens een sparsessie op de Thames van de vrouwenacht van Cambridge die het op 7 april opneemt tegen Oxford voor de jaarlijkse Boatrace. Deze zogeheten fixture was gearrangeerd door de in Nederland opgeleide coach Astrid Cohnen, momenteel de assistent-coach van de ‘light blues’.

“Je moet je voorstellen dat onze acht in Groot-Brittannië tot nu toe alles gewonnen heeft wat ze gestart hebben. De fixtures op het parcours van de Boat Race gebruiken we om wedstrijdsituaties te oefenen. Nereus kon met zes medaillewinnaars van afgelopen WK onder 23 jaar komen, waardoor ik zeker wist dat we een sterke boot zouden treffen. Daar zouden we wat aan hebben”, legt Cohnen telefonisch uit vanuit Cambridge.

Recruitment
“Daarnaast hoop ik hiermee ook aan Nederlandse roeiers te laten zien dat studeren hier zo gek nog niet is. De trend is weliswaar om met een sportbeurs naar Amerika te gaan, maar hier kan je meedoen aan een uniek evenement en dito programma. De vrouwengroep is bijvoorbeeld behoorlijk internationaal met een behoorlijk aantal Amerikanen, een Zwitsers, Deens en Spaans meisje. Iedereen die hier een studie gedaan heeft, komt qua carrière terecht waar hij of zij wil. Overal staan ze in de rij voor mensen die hier gestudeerd hebben.” 

Herpakken
Haar wens voor sterke competitie kwam in Londen uit. Het Nereus-octet liet in het eerste stuk van twee kilometer niets heel van de vrouwen van Cambridge. “Dat was even wennen. Ons roeien was verreweg van representatief van onze standaard. Maar ze hebben zich goed herpakt en de schouders eronder gezet. Bij de tweede afstand lagen ze ondanks de minder voordelige kant qua bochten op de finish slechts een kwart lengte achter. Hier leren ze veel van, achter liggen kan ook gebeuren tijdens de Boatrace en dan moet je de juiste wapens paraat hebben.”  

cuwbc nereus 2019

Pastorie
Normaal gesproken houdt Cohnen, die in Nederland als betaald coach werkzaam was voor Skøll en Laga, zich vooral bezig met de lichte mannen en lichte vrouwen die hun Boatrace tegen eeuwige rivaal Oxford een week eerder roeien dan het officiële evenement op 7 april. “Ik ben aangenomen als assistent van de Amerikaanse hoofdcoach Rob Weber. Bij de zware vrouwenploeg doe ik af en toe de ergometertraining en ben ik een soort van pastoraal werker. Ik check geregeld hoe het met ze gaat en drink hier een daar koffie met ze. Ook wordt er naar mijn mening gevraagd met betrekking tot opstellingen en selecties.” 

Perfectionisme
De van oorsprong Duitse doelt op het zeer ambitieuze studieklimaat in combinatie met het zware trainingsregime. “In Nederland denkt men al dat de studiedruk hoog is. Dat is echter niets vergeleken met hier. Daarnaast trainen ze twaalf keer per week. Al onze roeiers zijn ook nog eens extreem perfectionistisch en zelfkritisch. Men zit maximaal in de focus van roeien, studeren en pendelen tussen collegezaal, de trainingslocaties en huis.” 

Logistiek
Volgens Cohnen zijn er behoorlijk wat verschillen met haar vorige coachwerkzaamheden in Nederland. “Ten eerste is er bij zo’n club als Cambridge een veel groter netwerk betrokken. Van bestuur tot sponsoren en invloedrijke ex-roeiers. Veel partijen willen helpen en delen hun advies over de ploegen. Je moet goed kunnen navigeren om je doel – het centraal stellen van de atleet – centraal te houden. Ook is de logistieke kant veel groter. Bij Nederlandse studentenverenigingen neemt een bestuur of een commissie veel werk uit handen. Hier moet je alles zelf doen: van de botenwagen tot het zorgen van reparaties van de boot .” 

Springplank
De voormalige roeister van Saurus en Skøll vertrok naar Engeland voor een nieuwe start. “Ik wilde mezelf ergens anders bewijzen. Ik had het idee dat er in Nederland op een bepaalde manier over me gedacht werd en daar wil ik graag vanaf en weer plezier hebben in het coachen. Door op een andere plek met dezelfde skills– waarin ik nog steeds veel vertrouwen heb – aan de slag te gaan, kan ik mijn manier van werken en samenwerken opnieuw neerzetten en vorm geven. Coachen hier in Cambridge is geweldig en ik ben enorm blij dat ik deze kans heb gecreëerd en gepakt. Als dit ooit een springplank blijkt te zijn voor andere kansen is dat mooi, maar voor nu zijn mijn roeiers en de Boatrace het allerbelangrijkste.”

Bootsman Coos de Wilde: ‘Ik ga hier nooit meer weg’

Bootsman Coos de Wilde: ‘Ik ga hier nooit meer weg’

Onlangs was bootsman Coos de Wilde 25 jaar in dienst van Roeicentrum Berlagebrug. Een interview met hem vormt de aftrap van een reeks verhalen over het steeds beperkter wordende aantal bootsmannen in de Nederlandse roeisport.

De kiem voor het werk dat Coos nog steeds met veel plezier doet werd reeds gelegd toen hij als late tiener lid werd van de jonge en kleine roeivereniging Weesp. “Ze bestonden toen nog maar vijf jaar en aan alles was behoefte. We moesten het doen met afdankertjes van andere verenigingen, dus die boten moesten vrijwel allemaal opgeknapt worden. Ook in het gebouw was genoeg te doen”, vertelt hij met enig gevoel voor nostalgie. “Het bleek al snel dat ik handige handjes had.”

Werkloosheid
Toch duurde het even voordat hij eraan dacht hier zijn werk van te maken. “Ik heb eerst een opleiding tot elektricien afgerond en toen ik erachter kwam dat ik dat uiteindelijk niet wilde ook nog de lerarenopleiding. Maar er was veel werkloosheid in die jaren, dus ik ging van uitzendbaan naar uitzendbaan. Tot ik door een vriend werd getipt voor deze baan. Het roeicentrum was toen onderdeel van de Gemeente Amsterdam en ik werd aangenomen als tijdelijke vervanger van iemand met MS.”    

Meubels
Hij bleek een vreemde eend in de bijt. Zijn twee collega’s waren geen roeiers, maar opgeleid als houtbewerker of meubelmaker. Net als een aantal van hun voorgangers. “Omdat de loodsen bij Roeicentrum Berlagebrug te kort zijn voor een standaard C4, kon het voorkomen dat men er een halve meter af zaagde om hem passend te krijgen. Zonder er bij stil te staan dat hij dan wel heel raar in het water kwam te liggen. Ze zagen de boten ook meer als meubeltjes die zo min mogelijk gebruikt moesten worden in plaats van gebruiksvoorwerpen zoals ik.”  

Olielampen
Ook de bureaucratie leverde de nodige zorgen op. “Als ik iets van materiaal wilde aanschaffen moest dat via allerlei formulieren en duurde dat een eeuwigheid. Ten slotte had ik meestal te weinig van wat ik veel nodig had en andersom. Niemand snapte precies hoe wij aangestuurd moesten worden.” Tegelijkertijd gaf het werk hem veel plezier. “Zo kwam ik er achter dat bijna elke boot wel andere spoorbreedtes of roertjes had. Ik vond het een uitdaging daar één geheel van te maken. Ook heb ik 20 jaar terug alle lampjes voor op de boten in elkaar gezet. Die gebruiken we nog steeds. Tot dan ging het met olielampen, maar steeds minder instructeurs konden daar nog mee omgaan.”

coos_werkplaats_vecht

Flexibiliteit
Uiteindelijk bleef hij dan ook het langst van allemaal hangen. Al enige tijd is hij de enige bootsman. “Vanwege fusies gemeentelijke herindelingen vielen wij steeds weer onder iets anders. Mijn collega’s waren minder flexibel en duurder dan ik. In het weekend werken was bijvoorbeeld lastig omdat ze dan dubbel uitbetaald moesten worden. Ik vond het allemaal wel best. In de winter waren we zo goed als dicht, waardoor ik ook de mogelijkheid had te klussen aan mijn eigen huis. Ik had er ook lol in om mee te denken met hoe we het gebouw en de instructie beter konden inrichten. Zo was ik er voorstander van om in de winter ‘s avonds met verlichting door te blijven roeien. Ik had in Weesp gezien dat daar veel animo was voor fifty-fit roeien op doordeweekse ochtenden. Dit leek mij een goed alternatief voor het terug lopende schoolroeien.”

Curacao
Sinds het roeicentrum als onderdeel van het bedrijf Toprow is verder gegaan, is zijn werk niet alleen drukker, maar ook leuker geworden. “Nu is zeg maar de ‘sky the limit’, er wordt niet meer in beperkingen gedacht. We zijn sindsdien enorm gegroeid naar 1500 mensen die wekelijks komen roeien. Onze boten worden meer gebruikt, dus het is voor mij flink aanpoten. Ook hebben we nu de zeillocatie op de Sloterplas erbij. Ik kom er net vandaan en help met de verbouwing. Ik heb ooit geroepen dat we in de winter al onze eenpersoonsboten naar Curacao moesten verslepen zodat ze daar gebruikt konden worden. Nu breidt Toprow uit in New York en Londen. Wie weet gaat mijn plannetje ooit nog door haha..”

Werkplaats
In al die jaren heeft hij wel rond gekeken naar andere opties, onder andere bij De Amstel. “Ook ben ik wel eens wezen kijken bij een architectenbureau. Maar het idee om vast te zitten in zo’n kantoorpand greep me bij de keel. Er zijn altijd weer nieuwe uitdagingen zoals nu dat pand bij de Sloterplas, maar ook ben ik bezig met een nieuw stellagesysteem om nog meer boten op te kunnen bergen. Ik heb hier mijn eigen vloot van 65 boten en de mooiste werkplaats van Amsterdam. Wie heeft er nou een werkplek waar in de zomer iedereen voor ligt te zonnen? Nee, ik ga hier nooit meer weg.”

coos_werkplaats

Pin It on Pinterest