In augustus 2016 zullen 550 roeiers uit meer dan 58 landen strijden op het Lago Rodrigo de Freitas in Rio de Janeiro, tijdens de Olympische Spelen.

En twee van deze roeiers. Die komen uit Indonesië.

Ik heb me de laatste tijd afgevraagd of dat eigenlijk goed is. Begrijp me niet verkeerd. Ik heb mij de afgelopen vier jaar met volle overtuiging ingezet, ik heb me het apenzuur gecoacht. Ik heb gesleurd, getrokken, ik ben woedend geweest, ik heb onvoorstelbare tegenslagen gekend, maar op het laatste moment stonden mijn roeiers er toch en hebben ze hun Olympisch ticket bemachtigd. En met de historische gebeurtenis van twee Indonesische roeiers op de Spelen, ben ik ultiem gelukkig.

Maar horen ze daar wel? Er zijn roeiers in de wereld die harder gaan dan die van mij. Waarom zijn in Rio niet alleen de beste roeiers van de wereld?

48 Olympisch Kampioenen
De Olympische Spelen zijn in beweging. Het moet sneller, sexier en er moeten meer landen aan mee doen. Met een onvoorstelbaar aantal van 48 Olympisch roeikampioenen per Spelen, een beperkte aantrekkelijkheid voor toeschouwers (en sponsoren) en het imago van een witte rijkeluis sport ziet het Internationaal Olympisch Comite in het roeien een makkelijk slachtoffer.

Ter behoud van lijf en leden wringt de wereld roeibond FISA zichzelf in bochten. Al in 1996 werd het lichte roeien geïntroduceerd. De lichte categorie zou nieuwe roeilanden de kans geven om zich op het Olympisch podium te manifesteren. Voor een verdere verbreding van het aantal deelnemende landen zijn in 2016 het aantal kwalificerende plekken op de continentale kwalificatietoernooien vergroot en nieuwe regels geïntroduceerd die zullen leiden tot meer universaliteit. Daarna zal voor 2020 de verdeling tussen mannen en vrouwen worden aangepakt (naar de 50/50) en ook de investering in en ontwikkeling van het aangepast roeien kan worden gezien als een manier om het IOC tevreden te stellen.

Olympisch motto of Olympische droom?
Al deze ontwikkelingen leiden af van het olympisch motto: Citius – Altius – Fortius: Sneller – Hoger – Sterker. Want ondanks dat het LM4- veld één van de spannendste velden is in het roeien en ik met mijn Indonesiërs met heroïsche gevechten de Olympische tickets heb binnengehaald, leidt de toegangsbeperking van gewicht of nationaliteit niet tot de ultieme races. De eisen van het IOC lijken dan ook het eigen motto te ondergraven.

Maar misschien gaat het ook niet enkel om het Olympisch motto, misschien gaat het om de Olympische droom en de opoffering die moet worden gedaan om die uit te laten komen.

De kans dat de Indonesische skiffeur Memo ooit Olympisch kampioen zal worden is niet heel groot. Ondanks dat hij een van de beste roeiers van Azië is en voor Indonesische begrippen met zijn 2.00 meter, 85 kilo en skiffsnelheid van rond de 7:00 enorm is. Maar de weg die Memo heeft afgelegd om op de Olympische Spelen te komen is indrukwekkend. Voor zijn 17de  had Memo nog nooit zijn eiland, ergens bij de Molukken, verlaten. Memo had, voordat ik hem vier jaar geleden had geïdentificeerd bij een zoektocht naar talent, nog nooit sportschoenen aan gehad – op het eiland waren geen schoenen in maat 48.

De duizenden en duizenden kilometers die we sindsdien hebben geroeid op het bergmeer van Pangalengan, ver van de bewoonde wereld. Het onbegrip in de Indonesische cultuur, waar de idee om de beste te willen zijn of ergens keihard voor te werken niet wijdverspreid is. Je familie maar één keer per jaar kunnen zien. En vooral de ambitie om meer te willen zijn dan een parelduiker; het werk dat al generaties lang door je familie wordt gedaan. En dat allemaal heeft Memo overwonnen. Misschien is dat wel de Olympische droom.

Respect
Voor zijn droom heb ik groot respect en daarom zal ik in Rio met trots mijn Indonesisch kostuum dragen op de openingceremonie. En op de Speedo, die ik speciaal laat maken voor het flaneren op de Copacabana, zal ik dat laten drukken: Respect.

Credits Fotografie: Balint Czucz